Pagina:Marcellus Emants - Een nagelaten bekentenis (1894).djvu/201

Deze pagina is gevalideerd

brede polsen, ruige armen, een bruine nek, een rood gelaat en zwaar donker haar.

Emoties, illusies... voor dit mannetjes-dier was dat allemaal onzin. Hij begeerde maar een meid om aan zijn dierlijke behoefte te voldoen en zij... zij vond er niets in daarvoor te worden gebruikt en hoog betaald.

En terwijl ik me voor ogen stelde, hoe dat grove lichaam haar in zijn armen nam, zoende... behandelde, was 't me, of hij me uitlachte, beledigde, mijn laatste beetje flauw opflikkerende affectie, verering, menswaardig gevoelen bezoedelde, bevuilde.

Wat me 't meest stuitte, was, dat zij zich dit alles kalm liet welgevallen, dat ze me leukweg voor een ogenblik op zij had gezet. En ik hoorde haar zich verontschuldigen: „Wat kan 't je schelen; jij hebt er immers geen last van!"

Had ze dan niet begrepen, dat ik meer verlangde dan enkel... genot.

Zo dikwijls had ik haar gezegd: ik heb je lief.

En opeens zag ik in, dat een vrouw als zij aan de liefde van een „heer" niet geloven kan. Er bestond maar één middel om haar te overtuigen; dat was: tot haar afdalen, haar gelijke worden, alle meerderheid afschudden, met haar gaan leven als man en vrouw.

 

Toen ik de volgende morgen afgemat ontwaakte en terstond in mijn hersenen de vraag hoorde: wie is die kerel, herinnerde ik me tot vijf uur wakker gelegen en daarna gedroomd te hebben van een nauwe, donkere, smerige koker, waardoor ik heen moest kruipen. Hoe verder ik voortkroop, hoe langer de koker werd. Terug kon ik niet en de cirkel wit daglicht, die ik bereiken wilde, werd in de verte al kleiner en kleiner.

Een paar uur later belde ik aan bij Carolien.

Ze was erg ontstemd me zo vroeg te zien verschijnen. „Is dat een manier van doen! Ik heb mijn haar nog niet opgemaakt, nog niemendal gegeten. Denk je, dat ik als een dame vóór drieën rustig op mijn stoel te pronk kan gaan zitten?"

197