Pagina:Marcellus Emants - Een nagelaten bekentenis (1894).djvu/211

Deze pagina is gevalideerd

Geen half werk, prevelde ik voor me heen en ik stond op, ging naar de tafel, maakte de fles Sirop Follet open, vulde de lepel en bracht haar in haar mond.

Nog driemaal deed ik ditzelfde met lange tussenpozen... de derde keer liep het vocht terug.

Was ze dus... dood, of moest ze nog sterven, of... wat zou er gebeuren?

Om een antwoord te krijgen, boog ik me over haar henen en eindelijk... eindelijk gaf ze 't.

Langzaam, akelig langzaam trokken haar oogleden op en uit de donker gapende spleet, als uit een peilloze diepte, schoot een ijzig starre blik recht naar me op.

't Was een afgrijselijk gezicht!

Ontzet schrok ik terug, vond nog juist genoeg stuur over mijn ledematen om de gasvlam weer laag neer te draaien, de deur achter me toe te trekken, het portaal over te gaan, me op te sluiten in mijn eigen kamer.

Daar bleef ik sidderend tegen de muur geleund staan, volkomen bij mijn bewustzijn, maar toch buiten staat mij te verroeren of na te denken. Mijn hersenen waren als verlamd; ik weet zelfs niet, of ik heel kort dan wel heel lang in die houding heb volhard.

Zij was dood; daar viel niet aan te twijfelen en toch, toen het leven terug keerde in mijn denken hoorde ik weer de vraag:

Is ze heus... dood, of moet ze nog sterven, of wat zal er gebeuren?

En als ze dood was, had ik dan wel al mijn voorzorgen genomen?

Zou niemand iets verdachts kunnen vinden?

Ik wilde nog eens gaan kijken; maar dorst al niet meer.

Mijn God, mijn God, wat zou er gebeuren?

Op de rand van mijn bed gezeten luisterde en luisterde ik, zonder te weten waarnaar.

Voorshands gebeurde er niets.

't Bleef zo stil, alsof ik niet alleen Anna, maar alle leven in de stad en daarbuiten met één beweging van mijn hand voor altijd had vernietigd.

207