Pagina:Marcellus Emants - Een nagelaten bekentenis (1894).djvu/213

Deze pagina is gevalideerd

Weer dacht ik er over eens te gaan kijken; weer ontzonk me de moed.

Ik besefte, dat ik er in 't geheel niet toe zou komen.

Als ze nu eens niet dood was... misschien lag te sterven... of wakker werd en begon te begrijpen?

't Was onmogelijk en toch week het angstzweet niet meer van mijn hoofd.

Omstreeks vier uur moet ik van uitputting ingedommeld zijn; maar heel lang heeft die slaap niet kunnen duren.

Een afgrijselijke nachtmerrie, de droom van langzaam verpletterd te worden tussen twee reusachtige stenen, joeg me overeind met een hartklopping zo ondraaglijk heftig dat ik dacht aanstonds te zullen stikken van benauwdheid.—

En toen begon eindelijk de nieuwe dag koud blauw-grijs heen te schemeren door de vuil rossige gasglans in het duister vertrek.

Wat zou hij brengen, die nieuwe dag?

Doffe geluiden rommelden om in de verte; een spoorfluit trilde aan over de weiden; de mensen ontwaakten.

Zouden ze vanavond lezen, dat er een vreselijke misdaad was gepleegd?

Had ik 't maar niet gedaan! O, God had ik 't maar niet gedaan!

Gloeiend heet steeg bij buien de vrees me nog naar het hoofd; maar een besef, dat aanstonds alles bedorven kon worden door één ondoordacht woord, één onvoorzichtig gebaar, één schuwe blik, dwong me mijn hele denken samen te trekken op één punt: op de vraag: wat moet ik straks doen?

Het was duidelijk, dat ik zeldzaam voorzichtig te werk moest gaan. Zo ooit, kwam 't er nu op aan niet alleen een rol te spelen, maar die rol zeldzaam goed te vervullen, die rol tot in de kleinste bijzonderheden van buiten te leren.

Om te beginnen moest ik alles net doen gelijk andere dagen: op het gewone uur opstaan, me even langzaam aankleden, even bedaard naar beneden gaan...

209