Pagina:Marcellus Emants - Een nagelaten bekentenis (1894).djvu/226

Deze pagina is gevalideerd

„O, God, o, God, is 't mogelijk! Mijn kind, mijn meisje, mijn Annaatje! Wie had dat ooit gedacht? Hoe is 't toch gekomen? Wat een onvoorzichtigheid! Zeg me toch alles. D'r hart, ja, hé? Zeker het verdriet over d'r kind, hé? Och, ja; dat heeft ze nooit kunnen verzetten! Maar waarom heeft ze daar niet eens over gesproken? Dan had je haar ten minste wat afleiding kunnen bezorgen en een dokter raadplegen. Niewaar? Ze is wel altijd erg gesloten geweest. Nooit eens recht vertrouwelijk, hè? Maar ik vat 't toch niet! Ik vat 't niet! En dat een apotheker zo iets gevaarlijks af mag geven. Dat moest toch verboden zijn. 't Is vreselijk; 't is afschuwelijk! Ach, mijn kind, mijn dochter, wat moet ze geleden hebben, mijn lief Annaatje. Of zou je denken...? Ach, ja, jij weet 't natuurlijk ook niet! Wie weet 't? Wie zal dit ooit vertellen?"

Dat op al die uitingen, al die vragen geen syllabe werd geantwoord ontging hun geheel. Toen ze eindelijk wat tot bedaren waren gekomen, vroeg ik, of ze Anna nog eens wilden zien en zond ik hen met de meid naar boven, zeggende, dat de aanblik mij te veel aangreep.

En nu, in de eenzaamheid, begon mijn angst zich terstond weer scherper te doen gelden. Bij elk belgelui schrok ik heviger op, spanden zich mijn zenuwen strakker in een sidderend verbeiden van het geluid, dat me zeggen zou: daar zijn ze.

Verbijsterd door de aankondiging van de dokter had ik me zeker reeds die ganse morgen meer als een half verdwaasde dan als een diepbedroefde aangesteld. Nu verloor ik helendal het besef van mijn toestand. 't Was, of de angst mijn ziel cataleptisch maakte. Ik voelde mijn denken verstijven, mijn aandacht samenkrimpen, tot zij gelijk werd aan een oog, dat door een nauwe kijker blikkend niets meer ziet dan een eng grijswit cirkeltje, waarin aanstonds het vreselijke zal verschijnen. En in dit pijnlijk ineenschrompelen van mijn zenuwleven was 't, of mijn lichaam afstierf en als een logge massa al zwaarder en zwaarder neerhing aan mijn angstig starend brein.

Ik verstond niet meer wat tot me gezegd werd; ik besefte

222