Pagina:Marcellus Emants - Een nagelaten bekentenis (1894).djvu/35

Deze pagina is gevalideerd

van de wereld afzonderde, verijdelde deze bevrediging geheel en begroef haar bovendien onder lastige zorgen.

Mijn vader liet me dus op zijn kantoor komen en vroeg, onder het innemen van een lepel Brom Kalium, naar de afloop van het examen.

Ondanks een grote lust om me voor 't ogenblik met een leugentje van de zaak af te maken, bekende ik gedropen te zijn.

De oude heer werd niet dadelijk boos—zoals ik had verwacht—en toonde evenmin verwondering.

„Zo...Ja... 't Was te voorzien. Ik tenminste heb me niet gevleid. Ik wist wel, dat ik nooit plezier van je zou beleven. Dat verbaast je, hé? Je denkt, dat ik niet op de hoogte ben, omdat ik je niet de hele dag op je vingers kijk! Ik ben toch op de hoogte; dat zie je. Het verwondert me alleen, dat je er niet om liegt! Dat hoorde er zo bij!"

Ik zweeg, omdat ik niets wist te antwoorden, voelde, dat mijn zwijgen hem kregelig moest maken en kon toch geen woord uitbrengen.

„Is 't beneden je waardigheid een woordje van spijt uit te spreken?"

Ik bleef zwijgen en begon onwillekeurig op mijn nagels te bijten.

„Als je die nagels nu eens met rust liet, hé? je weet, dat zulke dingen me zenuwachtig maken!"

Opgestaan liep de oude heer een paar malen de kamer op en neer; daarna ging hij weer zitten. Ik kreeg trek, zonder iets te zeggen, heen te gaan; maar hij keek me weer aan en hernam:

„Weet je wel, dat over jou niemand tevreden is: de curatoren evenmin als de leraren, de directeur of ik? Je kop is goed genoeg; die heb je van je vader; maar je doet net, of 't er voor jou volstrekt niet op aankomt. Werken schijnt ook al beneden je waardigheid te zijn. Ieder jaar heb je in het begin je best gedaan; maar zodra je zag, dat je de grootste helft van je klasse vooruit was, dacht je: nu weet ik er meer dan genoeg van en ga ik op mijn lauwe-

31