Pagina:Marcellus Emants - Een nagelaten bekentenis (1894).djvu/50

Deze pagina is gevalideerd

verlangde en de tijd was al voorbij, dat die fictie me diep genoeg ontroerde.

In mijn drukkende moedeloosheid overkwam 't me hele dagen lang in bed te blijven, niet wetende, waarvoor ik zou opstaan, me kleden, me bewegen.—

Toen gebeurde 't, dat ik te Interlaken aan een hoteltafel tegenover een zeldzaam mooi meisje zat. Haar photographie aanziende—die ik niet gekregen, maar gekocht heb—kan ik de eerste, wegslepende indruk van dat teerblanke gezicht met die glanzige ogen en dat bijna zilverblonde haar nog wel eens duidelijk in mijn ziel oproepen. Ik hield van grote, stevige vrouwen; deze was maar uiterst tenger. Dit belette echter niet, had veeleer juist ten gevolge, dat zij een zonderling mengsel van gevoelens in me verwekte. Haar schitterende blankheid van hals en polsen prikkelde in de hoogste mate mijn zinnelijkheid, vervulde me soms met brutale begeerte, terwijl het sierlijke, maar o zo broze lichaampje met de grote, blauwe ogen, overschaduwd door lange, zijïge wimpers, iets aetherisch had, dat ik op andere ogenblikken zo graag geknield, in 't verborgen had aanbeden.

Wat me beslist onaangenaam trof, waren de brede, ofschoon blanke handen; zij bedierven mij het geheel en toch kon ik er mijn blik niet van afhouden.

Naast haar zat een oude, vette, uitgezakte vrouw met bol bleek gelaat, half toneel-stiefmoeder, half baker, die even ijverig doorat, als het mooie kind scheen te vasten. Nadat ik er achter was gekomen, dat beiden samen Zweeds spraken, kostte 't me een lange en verbazende inspanning, eer ik een woord—niet in het mij onbekende Zweeds, maar in het Duits—over mijn lippen kon brengen. Ik dacht, dat de hele tafel me aan zou kijken en alleen de zekerheid van omringd te zijn door louter onbekende gezichten, gaf me eindelijk de moed met een gelegenheidsfrase de debuteren. Toen deze vriendelijk was beantwoord en door derden ter nauwernood opgelet, ging ik rustiger voort en ziet: het gesprek vlotte.

Natuurlijk hadden wij 't aan tafel uitsluitend over Inter-

46