Pagina:Marcellus Emants - Een nagelaten bekentenis (1894).djvu/75

Deze pagina is gevalideerd

van Dregten waren overeengekomen voor de gezamenlijke verteringen alleen te putten uit mijn beurs. Ik had wat geld en was aan niemand rekenschap verschuldigd. Dat ik dus voor van Dregten betaalde, die veel meer behoefde dan hij kreeg, leek me natuurlijk. Me nu echter ook nog te laten plukken door een paar heertjes, die, wat routine voor levenswijsheid houdend, bluffend op me neerzagen, dat ging te ver. Hun bijzijn werd me onuitstaanbaar; maar toch was er iets bijzonders nodig om me tot het besluit te brengen: houd op en ga heen.

 

Eindelijk kwam dat bijzondere; het kwam in de nacht. Ik was dertig jaar geworden. Mijn verjaardag was een dag als een andere geweest; alleen wat treuriger, daar het van de vroege morgen af had geregend. Wij waren laat uitgegaan en hadden veel gedronken. Vlak bij honk was ik uitgegleden en neergevallen in de modder.

Nog geen twee uren had ik in mijn bed doorgebracht, toen ik plotseling met een hevige schrik ontwaakte.

Waarvan ik schrok wist ik niet; maar ik had nauwelijks mijn kaars aangestoken, als een vreselijke angst, een inwendige kille siddering gelijk, zich door mijn hele gloeiende lichaam verbreidde.

Doordenken kon ik niet; ik voelde maar, dat ik bang was, doodsbang voor de gevolgen van mijn daden.

Die gevolgen zouden kwalen zijn, ongeneeslijke kwalen van allerlei aard. Reeds kropen ze als slangetjes rond in mijn hart, in mijn hersenen, in mijn rug, in mijn ogen, in mijn borst, in mijn lever, in mijn maag, in mijn nieren, in mijn armen, in mijn benen en ik voelde, dat ze me sloopten, dat ze mij vroeg oud, gebrekkig, afzichtelijk zouden maken, tot een voorwerp van bespotting en walging voor iedereen. Ik zag me gekerfd, gepijnigd worden, vermageren, verkleuren, vervallen van dag tot dag, wegkwijnen van uur tot uur en eindelijk... sterven.

O, die dood, die dood, wat ben ik daar altijd bang voor geweest! En toch heb ik me zo dikwijls afgevraagd: was je dan ongelukkig vóór je geboorte? Toch is mijn onver-

71