Pagina:Marcellus Emants - Een nagelaten bekentenis (1894).djvu/86

Deze pagina is gevalideerd

is dit aarzelen een van mijn weinige daden geweest—als 't een daad mag heten—die me niet tot oneer hebben gestrekt.

Zo onopgesmukt waar als dit verhaal is van de ellendige omgang met me zelf, die ik als een jammerlijk onbeduidend en ledig leven achter me zie liggen, is ook mijn bekentenis, dat ik—bewust althans—gedurende die dagen van aanhoudende tweestrijd nooit iets anders heb verlangd dan Anna te kunnen maken tot een gelukkig, me zelf tot een goed mens. Geen zogenaamd onreine begeerte of onedele bijgedachte heeft me de weinige lieve woorden op de lippen gebracht, die mijn tong ooit heeft uitgesproken. Ze waren gemeend en het deed me genoegen, dat ik ze durfde zeggen.

Tevreden te kunnen worden, zoals ik dacht, dat de meerderheid der mensen was en dan, ten minste in de ogen van één wezen, goed, beter dan vele anderen te mogen schijnen; met de mensen in 't algemeen vrijmoedig, zonder schaamtegevoel te kunnen omgaan en met haar vertrouwelijk, bewonderend, koesterend en gekoesterd te mogen zijn... o, hoe verlokte me toen dit vooruitzicht!—

Nog altijd was mijn verliefdheid diep zwaarmoedig. Er lag het voorgevoel van een dreigend onheil in; een onheil vooral voor haar, dat alleen bezworen kon worden door een volkomen zelfopoffering van mij. Maar nu bestond die opoffering niet langer in mijn afstanddoen en heengaan voor immer; thans was 't me, of ik haar gelukkig kon maken door nooit meer iets voor me zelf te zoeken, te begeren of te hopen. In de toekomst zou alles voor haar zijn: elke gedachte, elke wens, elke daad, elke onthouding. Intussen was mijn gevoel—hoe zwak ook—mijn argwanend verstand veel te veel de baas. 't Is waar: ik wilde wel zo. Het deed me plezier, dat haar lachend mondje, haar zacht vragende blik en de talloze onbeschrijfelijke, ja, zelfs onnaspeurbare vrouwelijke eigenaardigheden van vorm, kleur, beweging, klank, doen en laten, die de ene man bekoren, de andere koud laten, soms afstoten, nu—te kwader ure—mijn achterdocht konden smoren.

82