Pagina:Max Havelaar of de Koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy (vyfde druk).djvu/399

Deze pagina is gevalideerd
387
141) Ik geef hier by-een de verklaring van eenige maleische woorden, idiotismen en eigenaardigheden, die in de epizode van Saïdjah voorkomen.

Lombong: bergplaats voor ryst en padie. Meestal is ze buiten ’t huis tegen een der wanden aangebouwd.

Kris, ’t volksthümliche wapen van den Javaan, dat als zoodanig by z’n volslagen kleeding behoort, gelyk by ons in vroeger tyd de degen. Het is ’n slangvormige platte dolk, met zeer kleinen greep. Gewoonlyk zyn de krissen van reepen week yzer in-eengesmeed — damastwerk alzoo? — en daarna met behulp van buffelhoeven gestaald. Ze werden voor roest bewaard door ’n inwryving met djerook (’n citroensoort) met arsenicum, dat aan ’t yzer ’n eigenaardig doffe tint geeft. Het bygeloof beweert dat men, ’n kris willende bezien, die geheel-en-al uit de schede moet halen. Wie ’t slechts gedeeltelyk doet, stelt zich bloot aan groot ongeluk. Over betooverde krissen, e.d. zyn tallooze vertellingen in omloop.

Poesaka: erfstuk, hier — gelyk dikwyls — in pieuzen zin genomen.

Sawah: door kunstmatige bewatering toebereid rystveld, in tegenstelling van glaga’s en tipars, rystaanplantingen die wat de bevochtiging aangaat, rechtstreeks van den regen af hangen.}}

Klamboe-haken. Klamboe is gordyn. In de platte, zeer breede haken waarmee ze worden opgehouden, heerscht eenige weelde. Ook by den minstwelvarende zyn ze toch gewoonlyk van messing.

Patjol: ’t werktuig dat de Javaan als spade gebruikt. Het blad zit, als ’t yzer van ’n houweel, loodrecht op den houten steel. Er wordt dus mee gehouwen, niet gespit, ’n eigenaardigheid die misschien hieruit voortvloeit, dat de inlander blootvoets gaat.

Oeser-oeseran. ’t Woord wordt in den tekst verklaard. Vermeende byzonderheden in den loop van zulke haarkringen, vooral wanneer ze zich vertoonen op den kruin van ’n kind, leveren stof tot allerlei voorspellingen. Zie, byv. blz. 121.

Penghoeloe: priester.

Ontong: geluk, voordeel.

Galangans: smalle dykjes die ’t water op de sawahs houden.

Allang-allang: riet, reuzen- of prairie-gras. Het is vaak zoo hoog dat ’n man te paard er zich in verbergen kan. De benaming op Sumatra is riemboe, wat daar ook wildernis in ’t algemeen beteekent.

Sarong. Batik. Kapala. De sarong is ’t eigenaardig kleedingstuk der Javanen, mannen en vrouwen beide. Het is een van kapok geweven lap, welks einden aan elkander genaaid worden. Het gebruik van zyde is uitzondering. Een dezer einden heet kapala, d.i. hoofd, en is beschilderd met ’n breeden rand, gemeenlyk uit tegen elkander inloopende driehoeken bestaande. Dit „schilderen” heet batik, en geschiedt uit de hand. Het weefsel wordt te-dien-einde op ’n raam gespannen, en de verf is in ’n werktuigje van blik dat — zeer verkleind — den vorm heeft van n trekpot of antiek