Pagina:Max Havelaar of de Koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy (vyfde druk).djvu/50

Deze pagina is gevalideerd
38

een sjaal om. En bovendien, ik wist niet waar hy woonde.


Een paar dagen daarna, waren de jonge Stern en Frits te zamen op een boekverkooping geweest in het Wapen van Bern. (9) Ik had Frits verboden iets te koopen, maar Stern, die ruim zakgeld heeft, kwam met eenige prullen t’huis. Dit is zyn zaak. Doch zie, daar vertelde Frits dat hy Sjaalman gezien had, die by de verkooping geëmploieerd scheen. Hy had de boeken uit de kasten genomen, en die op de lange tafel voortgeschoven naar den afslager. Frits zei dat hy zeer bleek zag, en dat een heer die daar het opzicht scheen te hebben, hem bekeven had, omdat hy een paar jaargangen van de Aglaia had laten vallen, wat ik dan ook zeer onhandig vind, want dit is een allerliefste verzameling van dameshandwerken. Marie heeft het samen met de Rosemeyers, die in suiker doen. Ze knoopt er uit…uit de Aglaia meen ik. Maar onder dat kyven had Frits gehoord dat hy vyftien stuivers daags verdiende. «Denk je dat ik van plan ben vyftien stuivers daags aan jou weg te gooien?» had die heer gezegd. Ik rekende uit, dat vyftien stuivers daags — ik denk dat de zon- en feestdagen niet meetellen, anders had hy een maand- of jaargeld genoemd — tweehonderd vyf-en-twintig gulden ’s jaars uitmaken. Ik ben snel in myn besluiten — als men zoo lang in zaken is, weet men altyd terstond wat men te doen heeft — en den volgenden morgen vroeg was ik by Gaafzuiger. Zoo heet de boekhandelaar die de verkooping gehouden had. Ik vroeg naar den man die de Aglaia had laten vallen.


— Die heeft zyn congé, zei Gaafzuiger. Hy was lui, pedant en ziekelyk.


Ik kocht een doosjen ouwels, en besloot terstond het met onzen Bastiaans nog wat aantezien. Ik kon er niet toe besluiten, een oud man zoo op-straat te zetten. Streng, maar, waar het wezen kan, zachtmoedig, is altyd myn principe geweest. Ik verzuim echter nooit, iets te vernemen wat te-pas