Pagina:Multatuli - Over Vrijen Arbeid in Nederlandsch Indie (1873).djvu/15

Deze pagina is proefgelezen
3
Vrye arbeid.


Niemand kan me verwyten dat ik te veel schryf. Misschien zelfs schreef ik te weinig. Ik ben al over de veertig, en tot-nog toe zyn er van my slechts ’n paar kleine boekjes verschenen. Geen Muzen-Almanak had ooit last van me, schoon ik al verzen en verhandelingen beging voor Belgien’s afval. Al m’n „aan-haars” heb ik flink verbrand, en er zyn al grootmoeders onder. Niemand dan ikzelf heeft geleden onder de eerste liefelyke maar bedwelmende aandoeningen van ’n jong vurig hart. En toen ik eindelijk my moest openbaren aan ’t Publiek, heeft men my bovenmatig geprezen over m’n wyze van schryven.


Dit was onbillyk.


Ik had meer recht op wat lofs over m’n zwygen. Ik zeg dit in vollen ernst. In veel geschryfs is veel dwaasheid. ’t Is lichter honderd boekdeelen te vullen, dan de aandoeningen die honderd boekdeelen vullen zouden, te bewaren tot het juiste oogenblik, of — zoo noodig — ze te smoren tot er de dood na volgt. Hebt ge wel eens overwogen, lezer, hoeveel geestkracht er noodig was voor my, om niet optetreden voor m’n veertigste jaar? Ge kunt nagenoeg weten hoe ik menschen en zaken beschouw. Ge kunt weten „dat ik het leven niet ben doorgegaan zonder de indrukken optevangen die ’t my aanbood.”[1] Welnu, ik heb deze indrukken opgezameld voor myzelf, voor m’n àllernaaste omgeving, vreezende dat ze niet ryp waren, dat ik morgen zou moeten terugnemen wat ik heden gaf, dat er gebrek aan harmonie wezen zou tusschen jeugd, mannelyken leeftyd en ouderdom. In één woord: ik heb gespaard, en waarmede ik vrygevig moge geweest zyn of


  1. Havelaar, 1 Deel, pag. 100, uitgave 1860. Latere uitgaven van dat werk heb ik nooit onder de oogen gekregen. (noot van 1873).
1*