Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/152

Deze pagina is gevalideerd
138
EEN ZONDAGAVOND

mager; toch bewees zijn vlugge, zekere tred, dat de kracht zijner spieren niet licht moest geteld worden. Daar lag eene eigenaardige kalmte in 't geheele wezen van dezen man; zijn bedrijf, dat hem elk oogenblik blootstelde aan allerlei gevaren en ongevallen, had alle onbedachtzaamheid bij hem doen verdwijnen en hem een rustig vertrouwen doen veroveren, dat op elk zijner uitspraken onwillekeurig den stempel van echtheid en oorspronkelijkheid drukte. Zij broeder Andries was blond, lang en sterk. Hij was even wakker als plomp, een ruwe schors om eene gezonde kern. Zonder zich lang te bedenken, volgde hij zijn' weg; luttel bekommerde hij er zich om, waar hij de voeten zette. Vaak moest hij dan ook de armen te baat nemen, om het noodige evenwicht te bewaren en zijne houding geleek dan sprekend op die van een' beer, die op de achterpooten tracht te gaan. Beiden hadden eene roode muts op 't hoofd en eene peper- en zoutkleurige broek aan. Andries was verder gekleed in eene soort van jas van dezelfde kleur met lange panden, die hem om de dijen sloegen, terwijl Thor zijn wambuis van rendiervel bij de overige bagage had gelegd en in 't kortarmig onderkleed ging. In de hand had hij een zwaar jachtgeweer. Andries droeg eene prachtige buks.

't Was stil in 't bosch; men hoorde niets dan den klank van het met ijzer beslagen bergschoeisel der jagers en den gestadigen stap der lastdieren, die den trein volgden met de proviand, de weitasschen en de vischkorven op den rug. Ook de natuur scheen de rust van den Zondag te deelen. Tegen 't vallen van den avond begon een enkele vogel zachtkens te kweelen; sparren en dennen kruidden de lucht met hunne geuren; over de toppen der lager staande boomen bespeurden wij nu