Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/196

Deze pagina is gevalideerd
182
OP DE VOGELJACHT IN HOLLEIA.

alleen vervolgde het haas. 't Zit niet richtig hier. Maar nog eens geprobeerd. En voor de derde maal schoot ik, en voor de derde maal was 't mis, en de beide andere honden stonden er bij, maar ze verroerden geen' poot. Maar toen heb ik den haan en het lood gezegend," zeide hij.

»Hoe deed hij dat?" vroeg ik.

» Vertel het maar, Per," zei de kapitein.

»Ja, hij wou er eerst niet voor uitkomen," antwoordde Per, »maar toen ik hem een paar borrels en eene rol tabak had gegeven, vertelde hij het."

»Dan neemt ge een stuk bast van een' sorbeboom," zeide hij, »dat legt ge tegen den haan, en dan schraapt ge drie spaantjes zilver van een' schelling; maar 't moet een erfstuk zijn, een van de echte oude munten, die mee geweest zijn in den oorlog; dan schraapt ge driemaal den nagel van uw linker pink af, neemt daarna drie gerstekorrels, of, hebt ge die niet, drie broodkruimels, en stopt dat alles in uw geweer, dan moet alles dood, wat ge onder schot krijgt, al ware 't de duivel zelf," zeide hij. »Dat deed ik ook dien keer bij Linderud-saeter," zei hij, »en toen het haas voor de vierde maal verscheen, schoot ik en — daar tuimelde het waarachtig neer," zei hij. »En wat was het? Een klein, mager beestje, zwart van ouderdom. Ik nam het op en hing het bij de achterpooten aan een' berk en begon het villen, maar de Heere bewaar' me," zeide hij, »het bloedde als een jonge os, en mijne hazewinden lekten het bloed van den grond. Ik nam het mee, maar hoe ik liep, telkens liep ik verkeerd, en altijd bloedde het beest; tweemaal kwam ik weer bij denzelfden berk te land. 't Is of daar de drommel mee speelt, dacht ik" — zei hij — »ben ik hier dan niet zoo goed bekend als thuis? Maar, als 't