Pagina:Ornithologia Neerlandica 1.djvu/156

Deze pagina is proefgelezen

80

 
Orde ARDEIFORMES.
Familie ARDEIDAE.
 

N°. 24.

Ardeola ralloides (Scopoli).

DE RALREIGER.

Plaat 29: oud en jong ♂.

 

Ardea ralloides, Scopoli, Annus I, Hist. Nat. 1769, p. 88. Nozeman en Sepp, Ned. Vog. V, 1829, p.457, pl. 232. Temminck, Man. d'Orn. 1815, p. 369. Id. id. 2e éd. II, 1820, p. 581, IV, 1840, p. 383.

Ardea comata, Schlegel, Vog. van Ned. 1854–'58, p. 382, pl. 192. Id. Nat. Hist. van Ned. Vog. 1860, p. 144, pl. 19, fig. 7.

Ardea ralloides ralloides, Snouckaert van Schauburg, Avif. neerl. 1908, p. 83.

Ardeola ralloides, Albarda, Aves neerl. 1897, p. 66. Van Oort, Notes Leyden Mus. XXX, 1908–'09, p. 137.

Ardeola ralloides ralloides, Snouckaert van Schauburg, Jaarber no. 5 Club. nederl. vogelk. 1915, p. 100.


Nederlandsche volksnamen: Krabreiger (Houttuyn).

Engelsch: Squacco heron.

Duitsch: Schopfreiher.

Fransch: Héron crabier.

 

Beschrijving: Oud ♂. Verlengde vederen van voorhoofd en bovenkop licht okergeel met zwarte randen; vederen van het achterhoofd zeer lang, bandvormig, spits eindigend, wit met smalle zwarte randen; kin en keel wit; zijden van den kop en hals okergeel, vederen van den benedenhals verlengd; borst, buik, dijen, vleugels en staart wit, dijen en bovenzijde van de vleugels okergeel getint; rugvederen zeer verlengd met losse baarden, purperbruin, schoudervederen evenzoo, doch okergeel. Iris geel, teugels groen; snavel aan de punt zwart, basis grijsblauw; pooten groengeel. De maten van 2 oude ♂♂ zijn: vleugel 224 en 230, staart 85, snavel 60 en 66, loopbeen 59 en 60 mm.

Oud ♀. Gelijkt op het oude ♂, doch siervederen minder lang en afmetingen geringer. Van een oud ♀ zijn de afmetingen: vleugel 205, staart 80, snavel 60, loopbeen 57 mm. Bij zes oude exemplaren, waarvan de sexe niet bepaald is, zijn de afmetingen: vleugel 215–228, staart 79–84, snavel 60–70 en loopbeen 57–61 mm.

Jeugdkleed. Vederen van kop en hals bruinachtig okergeel met grauwzwarte randen; kin en keel wit met okergele tint; rug, schoudervederen en binnenste kleine slagpennen donker grijsbruin met okergele schachtstrepen; borst, buik en staart wit, de laatste met aschgrauwe uiteinden aan de vederen; vleugels wit, doch groote slagpennen met zwarte schachten en met aschgrauwe vlekken aan het uiteinde en op de buitenvaan van de twee buitenste; kleine bovenvleugeldekvederen aschgrauw gerand en