Pagina:Ornithologia Neerlandica 1.djvu/249

Deze pagina is proefgelezen
137
FAMILIE ANATIDAE — ZWANEN, GANZEN EN EENDEN.

Op onze plaat is de kleur van den snavel van het oude ♂ niet goed uitgevallen; deze moet, zooals in de beschrijving aangegeven is, vleeschkleurig rose zijn met een geelachtig oranje tint aan de basis boven de neusgaten. Deze laatste tint heeft zich op de plaat verkeerdelijk over den geheelen snavel uitgestrekt.

Oud ♀. Gelijk het oude ♂, doch iets kleiner van afmetingen. Vleugel 393–414, staart 130–145, snavel 43–49, loopbeen 67–70 mm.

Jeugdkleed. Kop en hals grijsbruin, rond den snavel bruinzwart, zonder eenig wit. Bovenzijde grijzer dan bij oude voorwerpen en met smallere, minder lichte randen aan de vederen; borst en buik licht bruingrijs, alle vederen lichter gerand; zijden van het lichaam bruingrijs; anaalstreek, onder- en bovendekvederen van den staart vuilwit; vleugels als bij de ouden, echter middelste bovenvleugeldekvederen vaalgrijs gerand; staartpennen donker bruingrijs met grijswitte uiteinden en smalle grijswitte randen. Iris donkerbruin; snavel grijsachtig vleeschkleurig, punt grijswit; pooten geel met zwakke oranje tint.

In het derde jaar is de kolgans volkomen uitgekleurd.

In 1855 beschreef Schlegel een gans als ras van de kolgans en noemde deze Anser albifrons roseipes (Naumannia 1855, p. 254 en 256; Vog. van Ned. 1854–'58, p. 518, pl. 282); deze vorm verschilt volgens hem van de gewone kolgans alleen door het bezit van rose pooten, echter ontbreken ook in de afbeelding, die hij van een voorwerp geeft, de zwarte vlekken aan de onderzijde, en komt dit voorwerp overeen met Anser pallipes de Selys Longchamps (Naumannia 1855, p. 264), die volgens dezen laatste van Anser albifrons afwijkt o.a. door het bezit van bleekrose pooten, geen zwarte vlekken aan de borst, iets meer wit aan het voorhoofd en een minder hoogen snavel. Vermoedelijk zijn de door Schlegel en door de Selys beschreven ganzen bastaarden van de kolgans en van de grauwe gans. In 1899 werden bij 's Hertogenbosch twee ganzen gevangen, die in grootte met de gewone kolgans overeenkomen (vleugellengte 432 en 412 mm.), doch afwijken door bijna ongevlekte onderzijde, door een oranjegeel naakt ooglid en door betrekkelijk korten snavel (41 en 42,5 mm.); het zijn beide ♂♂, die na 14 jaar bij den Heer F.E. Blaauw te 'sGraveland in gevangenschap geleefd te hebben, niet van kleur veranderd zijn.

Enkele malen zijn kolganzen waargenomen, die slechts weinig wit rond den snavelwortel vertoonen en die aan de randen, aan de voorhoofdbasis en soms aan de punt van den snavel een zwarte kleur bezitten; deze afwijking, door J.F. Naumann beschreven als Anser intermedius (Naturg. Vög. Deutschl. XI, 1842, p. 340, pl. 288), is vermoedelijk een bastaard van de kolgans en van de zaadgans.

 

Voorkomen en levenswijze. De kolgans is een jaarlijks in groot aantal bij ons verschijnende wintergast, die soms reeds in October komt en in Maart weder vertrekt. Zij broedt in het hooge noorden van Europa, Azië en Noord-Amerika en wel op IJsland, Nova Zembla, Kolgoejef, in Oost-Finmarken, op het Kanin-schiereiland, in Siberië, Alaska en Groenland; in den winter trekt zij zuidelijk tot aan de Middellandsche

18