Pagina:Ornithologia Neerlandica 1.djvu/255

Deze pagina is proefgelezen
141
FAMILIE ANATIDAE — ZWANEN, GANZEN EN EENDEN.

kleed. Het zwart in het gevederte van de ouden is hier zwartbruin en het kastanjebruin van kop, hals en borst is lichter en meer bruingeel; staartpennen met smalle witte uiteinden. Snavel en pooten bruinzwart.

 

Voorkomen en levenswijze. De roodhalsgans is slechts zelden in Nederland waargenomen. Temminck vermeldde in 1840 betreffende deze soort: „un seul exemple est cité pour les Pays-Bas", waarmede hij vermoedelijk het jonge voorwerp bedoelde, dat jaren geleden bij Rotterdam gevangen werd en door bemiddeling van Schlegel in het Leidsche Museum gekomen is, alwaar het thans nog aanwezig is. Volgens Schlegel (Vog. van Ned. 1854–'58, p. 522) werd deze soort van tijd van tijd in ons land gevangen, éénmaal zelfs een geheele troep te gelijk, die echter eerst, nadat ze gedeeltelijk geplukt waren, onder het oog van een kenner kwamen. In zijne „Aves Neerlandicae" vermeld Albarda een 10-tal gevallen van voorkomen in ons land tusschen de jaren 1852 en 1891, die hem bekend geworden zijn; aan deze kan toegevoegd worden een oud voorwerp in volkomen kleed, dat 18 Februari 1881 op onze kust geschoten werd (J. Cordeaux, British Birds with their Nests and Eggs, vol. IV, p. 79) en dat zonder twijfel hetzelfde voorwerp is, dat volgens den Heer T.M. Pike bij Stavenisse (Z.) geschoten werd (Notes Leyden Mus. 1908–'09, p. 157). Na 1897 is deze ganssoort nog eenige malen in ons land waargenomen, o.a. in de eerste helft van Februari 1899 een oud exemplaar te Foxhol bij Hoogezand (Gr.), 28 Januari 1906 een exemplaar bij Staphorst (O), in de eerste helft van Maart 1906 een oud ♂ te Helvoirt (N.B.) en 9 Januari 1911 een oud ♂ bij Kampen. Alle waarnemingen zijn gedaan in het winterhalfjaar van November tot Maart. De roodhalsgans broedt in de toendra's van westelijk Siberië, oostelijk tot het Taimyr-schiereiland; in den winter trekt zij tot aan de Kaspische zee, waar zij dan in groot aantal voorkomt, de Kirgiezensteppen, Turkestan, Zuid-Rusland en af en toe in klein aantal ook tot Midden- en Zuid-Europa, alwaar zij in enkele exemplaren waargenomen is in Noord-Rusland, Zweden, Duitschland, Denemarken, Engeland, Frankrijk en Italië, het meest nog in ons land. Te oordeelen naar oude Egyptische afbeeldingen moet de roodhalsgans reeds in vroeger tijd ook in Egypte voorgekomen zijn. De roodhalsgans begint met broeden in het laatst van Juni en begin Juli en maakt een nest op den grond, dat geheel op dat van de rietgans gelijkt, doch kleiner van omvang is; de eieren van 7 tot 9 in een legsel, zijn geelwit, tamelijk glad, ongeveer 68 mm. lang en 45 mm. breed. In levenswijze gelijkt de roodhalsgans op de brandgans, in wier gezelschap zij ook 's winters soms bij ons is waargenomen; op de plaatsen, waar zij regelmatig overwintert, komt zij in groote vluchten voor, die uitsluitend uit voorwerpen dezer soort bestaan. Haar gewone roep is een tweetonig geluid, dat zij eenige malen achtereen laten hooren.