Pagina:Ornithologia Neerlandica 1.djvu/363

Deze pagina is proefgelezen
199
FAMILIE ANATIDAE — ZWANEN, GANZEN EN EENDEN.

snavel leikleurig, punt zwart; pooten grijs, zwemvliezen zwart. Vleugel 200–208, staart 55–61, snavel 38–43, loopbeen 34–35 mm.

Oud ♀. Kop en hals donkerbruin; vederen van het achterhoofd verlengd, een kleine hangende kuif vormend; vederen bij de basis van den bovensnavel meestal min of meer wit, in enkele gevallen zelfs een witten ring rond den snavel vormend als bij het ♀ van marila; kin soms wit; vederen van het voorste gedeelte van de borst, de borstzijden en van het voorste gedeelte van den rug donkerbruin, de borstvederen met witte, de vederen van de borstzijden met geelbruine randen; benedenrug, schoudervederen en stuit zwartbruin; zijden van het lichaam vaalbruin; buik wit; anaalstreek grijsbruin, vederen wit gezoomd; vleugels als bij het ♂ geteekend, echter het zwart en het bruinzwart bruiner en de olijfgroene glans op de kleine slagpennen afwezig; staart zwartbruin; bovenstaartdekvederen zwartbruin; onderstaartdekvederen grijsbruin met witte zoomen. Iris geel; snavel leizwart; pooten grijs met zwarte vliezen. Vleugel 184–198, staart 52–59, snavel 36–39, loopbeen 32–35 mm.

Oud ♂ in zomerkleed. Gelijkende op het oude ♀, doch kop donkerder zwartbruin; rug en schoudervederen zwartbruin met fijne grijze stippels; borstvederen bruinzwart met breede witte zoomen; vederen van de borstzijden en van den bovenrug bruinzwart met grijsbruine of grijsgele randen; achterste gedeelte van den buik en anaalstreek bruingrijs; vederen van de zijden van het lichaam bruingrijs met fijne witte golflijntjes; vleugels en staart als bij het oude ♂. Iris geel; snavel leizwart; pooten grijs met zwarte vliezen.

In September gaan de ♂♂ weder in hun winterkleed over; het laatste schijnen zij de vederen van de zijden van het lichaam te ruien, daar men vroeg in het jaar bij overigens uitgekleurde voorwerpen nog de zijvederen van het zomerkleed vindt.

Oud ♀ in den zomer. Gelijkende op het boven beschreven oude ♀, doch de vederen van de geheele onderzijde grijsbruin met min of meer breede witte zoomen.

In September worden de bruine vederen van den buik door de witte van het bovenbeschreven kleed vervangen.

Jeugdkleed. Gelijkende op dat van het oude ♀, doch over het geheel valer bruin; de vederen van de onderzijde vaalbruin met witte randen, vederen van den rug, de borstzijden en de zijden van het lichaam met geelbruine randen en de vederen rond den snavel geelachtig of bruinachtig wit. Iris geel; snavel leizwart; pooten grijs, vliezen zwart.

Donskleed. Kop, achterhals en bovenzijde van het lichaam olijfkleurig bruin; kin, keel, borst en buik geelachtig wit; anaalstreek grijsbruin. Iris grijsachtig bruin; snavel en pooten olijfkleurig bruin, vliezen bruinzwart en snavelpunt licht bruingeel.

 

Voorkomen en levenswijze. De kuifeend is in het winterhalfjaar van October tot April zeer talrijk op onze binnenwateren, in strenge winters, wanneer het binnenwater dicht ligt, meer aan de zeekust en in de zeegaten. Het broeden van deze soort binnen onze grenzen is eenige malen geconstateerd, o.a. bij Vlijmen in Noord-Brabant, in 1904,