Pagina:Ornithologia Neerlandica 1.djvu/381

Deze pagina is proefgelezen
209
FAMILIE ANATIDAE — ZWANEN, GANZEN EN EENDEN.

borstzijden grauwgrijs, de vederen min of meer met geelbruine randen; benedenborst, buik, anaalstreek, onderdekvederen van den staart en zijden van het lichaam wit, de voorste zijvederen met bruine uiteinden; bovenrug, schoudervederen, bovendekvederen van de vleugels en bovendekvederen van den staart bruinzwart met geelbruine randen aan de vederen; benedenrug en stuit bruinzwart; groote slagpennen bruinzwart; kleine slagpennen bruin met geelbruine randen; onderdekvederen van de vleugels en okselvederen bruin; buitenste staartpennen wit, met bruingrijze binnenvaan, de middelste donker bruingrijs. Iris geelbruin; snavel leizwart; pooten blauwgrijs, vliezen zwart. Vleugel 196–213, staart 73–82, snavel 25–27, loopbeen 32–34 mm.

Oud ♂ in zomerkleed. Kop, hals, borst, voorste deel van den buik donkerbruin, bovenkop, streek rond het oog, achterhals, keel en bovenborst min of meer met wit gevlekt; bovenrug- en schoudervederen zwartbruin met breede geelbruine randen; benedenrug, stuit en bovenstaartdekvederen bruinzwart; achterbuik, anaalstreek en onderstaartdekvederen wit; vederen van de zijden van het lichaam licht grijs, de voorste licht geelbruin gezoomd; vleugels en staart als bij het bovenbeschreven oude ♂, evenzoo iris, snavel en pooten. (♂ uit Lapland, 9 Juni 1914).

Oud ♀ in zomerkleed. Gelijkende op het bovenbeschreven oud ♀, doch voorhoofd, bovenkop, achterhoofd, achterhals, kin, keel, benedenste oorstreek, achterdeel der wangen, zijden van den bovenhals, voorhals en ring om den benedenhals zwartbruin; teugels en voorste gedeelte van de wangen bruingrijs; overige deelen van kop en hals wit; bovenborst en borstzijden grauwgrijs, zonder geelbruine vederranden; vederranden van rug-, schouder-, bovenste vleugeldek- en staartdekvederen meer grijsachtig vaalbruin. (♀ uit Lapland, 17 Juni 1914).

Jeugdkleed. Gelijk het ♀ in den zomer, doch het bruin van kop en hals vaal grijsbruin, het wit licht bruingrijs of grijswit; bovenborst en borstzijden grijsbruin; benedenborst licht grijs, op den buik en onderstaartdekvederen in grijswit overgaande; zijden van het lichaam bruingrijs; rug, stuit en bovenstaartdekvederen bruinzwart; schoudervederen vaal geelachtig bruingrijs, langs de schacht bruinzwart; bovendekvederen van den vleugel donkerbruin; onderdekvederen bruin; groote slagpennen donkerbruin, kleine bruin met smalle vale randen; staartpennen grijsbruin. Iris bruin; snavel blauwgrijs, rug en punt grauw; pooten lichtgrijs, vliezen zwart.

 

Voorkomen en levenswijze. De ijseend is in ons land van October tot April een jaarlijks aan de kust verschijnende wintergast, het eene jaar in gering getal, het andere jaar soms vrij talrijk. Zij vertoeft bijna uitsluitend aan onze zeekust en wordt slechts bij uitzondering op de binnenwateren aangetroffen. Het Rijks Museum te Leiden bezit een uitgebreide serie van voorwerpen uit ons land, oude ♂♂ en ♀♀ in volkomen kleed, voorwerpen in overgangskleed en jonge voorwerpen, echter ontbreken, zooals te verwachten is, ♂♂ en ♀♀ in het zuivere zomerkleed. De ijseend bewoont het noordelijk halfrond en broedt op de Färöer, IJsland, Noorwegen, Lapland, Nova Zembla, Spitsbergen, Noord-Rusland, Noord-Siberië en in het noorden van Noord-Amerika

27