Pagina:Ornithologia Neerlandica 1.djvu/415

Deze pagina is proefgelezen
227
 
Orde ANSERIFORMES.
Familie ANATIDAE.
 

N°. 68.

Mergus merganser Linnaeus.

DE GROOTE ZAAGBEK.

Plaat 84: oud ♂ en oud ♀.

 

Mergus merganser Linnaeus, Syst. Nat. ed. X, 1758, p. 129. Nozeman en Sepp, Ned. Vog. IV, 1809, p. 325, pl. 166. Temminck, Man. d'Orn. 1815, p. 575. Id. id. 2e éd., II, 1820, p. 881, IV, 1840, p. 556. Schlegel, Vog. van Ned. 1854–'58, p. 564. pl. 318 en 319. Id. Nat. Hist. van Ned. Vog. 1860, pag. 222, pl. 31, fig. 9.

Mergus merganser merganser, Snouckaert van Schauburg, Avif. neerl. 1908, p. 133. Id. Jaarb. No. 5 Club. nederl. vogelk. 1915, p. 107.

Merganser merganser, Albarda, Aves neerl. 1897, p. 108. Van Oort, Notes Leyden Mus. XXX, 1908–'09, p. 154.


Nederlandsche volksnamen: Groote duikergans, Dubbele zaagbek, Roséwaard; in Groningen: Zaageend; in Noord-Brabant: Korporaal, Boterbuik; Friesch: Bûnte dûkelein, Saechbek (de Vries).

Engelsch: Goosander.

Duitsch: Gänsesäger.

Fransch: Harle bièvre.

 

Beschrijving. Oud ♂. Kop en bovenste gedeelte van den hals zwart, behalve kin en keel met groenen glans; vederen van bovenkop en achterhoofd verlengd; benedenhals, voorste gedeelte van den rug, borst, buik, anaalstreek en zijden van het lichaam wit met licht zalmkleurige of licht geelachtig rose tint; middenrug en schoudervederen zwart; benedenrug en stuit grijs, enkele vederen met donkere schachten en lichtgrijze randen; bovenvleugeldekvederen wit; vederen aan den vleugelrand grauwzwart; groote slagpennen bruinzwart; kleine slagpennen wit, de binnenste met smalle zwarte zoomen; onderdekvederen van den vleugel wit, aan den vleugelrand grauwzwart met lichtgrijze randen; de binnenste wit met fijne grijze stippels aan het uiteinde, de onderste grijs; okselvederen wit; staartpennen donkergrijs met zwarte schachten; bovenstaartdekvederen grijs met zwarte schachten; vederen aan de zijden van den staartwortel wit met fijne gegolfde grijze dwarsbandjes; onderstaartdekvederen wit met licht geelachtig rose tint. Iris roodbruin; snavel bloedrood, rug, punt, randen van boven- en ondersnavel en onderzijde zwart; pooten koraalrood in het oranje trekkende, nagels grijs. Vleugel 278–290, staart 115–125, snavel 52–57, loopbeen 50–55 mm.

Oud ♀. Kop en bovenste gedeelte van den hals roodbruin; bovenkop bruiner; vederen van bovenkop en vooral van achterhoofd verlengd, sterker dan bij het ♂; kin en keel