Pagina:Ornithologia Neerlandica 1.djvu/416

Deze pagina is proefgelezen
228
FAMILIE ANATIDAE — ZWANEN, GANZEN EN EENDEN.

wit, min of meer met bruine vlekjes langs de veerschachten; vederen van den benedenhals grijs met lichte randen; voorste deel van den benedenhals, borst, buik, anaalstreek en onderdekvederen van den staart wit met zwakke, licht geelachtig rose tint; rug, stuit, bovenstaartdekvederen, schoudervederen, bovendekvederen van de vleugels en vederen van de zijden van het lichaam grijs met donkere schachten, de vederen van de zijden van het lichaam met grijswitte zoomen; groote slagpennen bruinzwart; buitenste kleine slagpennen bruinzwart, de middelste wit, de binnenste grijs; onderdekvederen van den vleugel wit, die aan den vleugelrand en de binnenste grauwzwart met lichtgrijze randen, de onderste grijs; okselvederen wit; staartpennen donkergrijs met zwarte schachten. Iris geelbruin; snavel donker bloedrood, rug en punt donkergrauw; pooten bleek oranjerood, vliezen iets lichter, nagels grauw. Vleugel 240–260, staart 98–110, snavel 45–52, loopbeen 45–48 mm.

Oud ♂ in zomerkleed. Gelijkende op het oude ♀, doch vleugels als van het oude ♂ in het bovenbeschreven kleed.

Jeugdkleed. Gelijkende op dat van het oude ♀. Iris donkerbruin; snavel donkerrood, rug en punt bruinzwart; pooten bleek oranje.

 

Voorkomen en levenswijze. De groote zaagbek bezoekt ons land ieder jaar in den winter, in kleiner aantal echter dan de middelste zaagbek. Hij komt aan onze kusten en voornamelijk op de binnenwateren voor en verschijnt tegen November om in Maart weder te verdwijnen. Zijn broedgebied strekt zich van Schotland, de Faröer en IJsland uit over Scandinavië, Denemarken, Noord-Duitschland, Beieren, Zwitserland, Bosnië, Finland, Noord-Rusland en Siberië tot Kamsjatka. In den winter is hij aangetroffen tot aan de kusten van de Middellandsche, de Zwarte en de Kaspische Zee en in China en Japan. In Noord-Amerika komt een nauwverwante vorm voor, Mergus merganser americanus Cassin, die zich van den Europeesche onderscheidt door een zwarten band over de vleugels aan de basis van de groote bovenvleugeldekvederen. De groote zaagbek bewoont in den broedtijd meest boschrijke streken voorzien van meren en moerassen en begint reeds vroeg, in April of begin Mei, met broeden. Hij nestelt bij voorkeur in holle boomen en waar deze ontbreken, nestelt hij op den grond tusschen boomwortels, in rotsspleten of in een gat van een steilen aarddam. In Finland nestelt hij ook in houten nestkasten, die de Finnen speciaal daarvoor tegen de boomen ophangen. Het legsel bestaat uit 8–12 eieren, die geelwit van kleur en volgens Rey 63–73 mm. lang en 41–48,3 mm. breed zijn. Het nestdons is grijswit. De donsjongen, die op die van den middelsten zaagbek gelijken, worden door het ♀ met den bek uit de holte geworpen en dan naar het dichtst bijzijnde water geleid, waar zij alleen de jongen verder verzorgt. Het voedsel van den grooten zaagbek bestaat hoofdzakelijk uit visschen, daarnaast ook uit kikkers, wormen, insekten en zelfs ook waterplanten. Hij is schuw, duikt voortreffelijk en kan lang onder water blijven en daarbij een grooten afstand afleggen. Hij vliegt snel en gemakkelijk, maar hij beweegt zich moeilijk op het droge. Zijn stemgeluid is een luid kar kar.