Pagina:Ornithologia Neerlandica 1.djvu/426

Deze pagina is proefgelezen
234
FAMILIE ANATIDAE — ZWANEN, GANZEN EN EENDEN.

zwemvliezen zwartgrijs. Vleugel 197–206, staart 82–86, snavel 29–32, loopbeen 32–35 mm.

Oud ♀. Voorhoofd en bovenkop bruin; teugels en streek van mondhoek tot onder het oog donkerbruin; oorstreek, achterhoofd en achterzijde van den hals roodbruin; vederen van bovenkop en achterhoofd verlengd; kin, keel, achtergedeelte van de wang, voorhals en halszijden wit; bovengedeelte van de borst en borstzijden grijs, de vederen breed grijswit gerand; rugvederen donkergrijs met lichter grijze eindzoomen; stuit zwartgrijs; vederen van de zijden van het lichaam donkergrijs met lichte vaal geelgrijze randen; schoudervederen donkergrijs; vleugels als bij het oude ♂; staart en bovendekvederen donkergrijs, de laatste met lichte randjes; onderdekvederen wit. Iris bruin; snavel donkergrijs; pooten grijs, vliezen zwart. Vleugel 171–183, staart 71–75, snavel 25–28, loopbeen 28–30 mm.

Oud ♂ in zomerkleed. Gelijkende op het oude ♀, doch de vleugels als van het bovenbeschreven oude ♂.

Jeugdkleed. Gelijkende op het oude ♀; streek tusschen snavel en oog niet donkerder dan de bovenkop; middelste bovenvleugeldekvederen wit met grauwgrijze zoomen en donkere schachten. Iris bruin; snavel donkergrijs; pooten grijs, vliezen zwart.

 

Voorkomen en levenswijze. Het nonnetje bezoekt in den winter jaarlijks ons land, maar is het eene jaar talrijker dan het andere. In strenge winters is zijn aantal meestal grooter. Het is in kleine vluchten op de binnenwateren en rivieren aan te treffen, ook aan de zeekust en in de zeegaten bij dichtgevroren binnenwater. Het verschijnt in ons land in November en vertoeft er tot in Maart. Als bijzonderheid is te vermelden, het schieten van een oud ♀ op 15 Juli 1916 op de Nieuwkoopsche plassen; dit voorwerp, hoewel overigens in uitstekende conditie, bleek aan den rechtervleugel een oude, volkomen genezen fractuur te hebben, waardoor het waarschijnlijk genoodzaakt werd hier in een voor deze soort ongewoon jaargetijde te vertoeven. Het nonnetje bewoont als broedvogel Finland, Lapland, Noord-Zweden, Noord-Rusland, Oost-Rusland, Zuid-Rusland, ook de Dobroedsja, en verder Siberië tot Kamsjatka. In den winter vertoont het zich aan de kusten van West-Europa en soms ver binnenslands langs de groote rivieren in Europa, aan de kusten van de Middellandsche, de Zwarte en de Kaspische zee, van de Perzische golf, verder in noordelijk Engelsch-Indië, China en Japan. Het nonnetje nestelt in holle boomen, soms ook op den grond tusschen boomwortels en in holten onder steenen, en legt omstreeks Juni 7–9, soms 10 eieren, die geelwit tot licht geelbruin zijn, een fijne, gladde, glanzende schaal bezitten en ongeveer 52,5 mm. lang en 37,5 mm. breed zijn. Het nestdons is grijswit. De donsjongen zijn van boven donkerbruin met witte vlekken op den vleugel, aan de zijden van den rug en van den stuit, van onderen wit met bruine bovenborst; kop bruin met een witte vlek onder het oog. In levenswijze komt het nonnetje met de andere zaagbekken overeen. Het is een behendige duiker, die zich vooral met visschen, maar ook met andere waterdieren voedt en snel en geruischloos vliegt. Zijn stemgeluid is een kort kor kor.