Pagina:Stijl vol 01 nr 06 p 065-072.djvu/5

Deze pagina is proefgelezen

die van het licht, thans voornamelijk die van de ruimte (zie laatste artikel Gino Severini), is de beeldende kunst in de 20e eeuw in het bezit gekomen van haar zuiver aesthetische middelen en haar zuiver aesthetischen inhoud, na de op vele terreinen (religie, litteratuur [literatuur, ed.], sociologie, muziek enz.) tevergeefs naar haar zelfbestamming gezocht te hebben. Waar zij deze middelen, inhoud en bestemming vond, was zij niet aan haar grens of „over de grens heen”, maar juist op haar eigen gebied. Haar daaraf jagen zou behalve van despotisme van gemis aan piëteit voor het verleden doen blijken.
Indien de nieuwe beelders „meetkunde” [1] gebruiken, staan zij gelijk met een renaissancist die anatomie gebruikte. Evenmin als men door een groote dosis anatomische kennis een renaissancistisch kunstwerk kan maken, zoo min zal men met de kennis van alle wiskunde (de vierdimensionale incluis) een modern kunstwerk kunnen maken. Uit meetkunde kan men geen schilderij samenstellen, met (behulp van) meetkunde echter wel. De middelen kan men leeren, het gebruiken dier middelen is het erfelijk bezit van het genie. In de kunst gaat het er slechts om alles, zoowel de natuur als de wetenschap, als middel en niet als doel te gebruiken. De kunst heeft zichzelf ten doel. Het is daarom dat zij zich in den loop der tijden van alle secundaire oogmerken: het opwekken van religieuze aandoeningen, het opwekken van gevoelens van humanitairen aard enz. enz., heeft afgewend. De beeldende kunst moet haar aesthetischen inhoud door haar eigen, reine kleur- en vormmiddelen tot uitdrukking brengen. Daarom is elke litéraire, symbolische of religieuze vergeestelijking, elke caricaturale, gestyleerde, academische of quasi-monumentale uitdrukking, de verloochening van de macht der beeldende kunst zelf en heeft met de absolute beelding niets te maken. Die uitbeeldingswijzen hadden nut in een tijd van onbewust zoeken naar een uitdrukkingsvorm van de kunstidee. In dezen tijd van bewust gevonden-hebben, zijn ze als absurde surrogaten te beschouwen.

Uitgaande van het begrip dat de nieuwe beelding het samenstellen van meetkundige figuren is, is de gedachtengang, dat zij deze steeds meer en meer reduceerende aan de punt zou uitkomen, zeer logisch. Dit is echter een verkeerd begrip, omdat de beeldende kunst niet van meetkunde uitgaat maar van het beeldende d.i. van datgene wat in de functie van ons bewustzijn de dingen inderdaad beeldt. „Denn die Welt ist nie gegeben, sondern durch und für die speciellen Mittek der Kunst (oder Wissenschaft) immer erst zu entdecken” (Max Raphaël). Evenals het denken, is, althans voor kunstenaars, het zien een abstrakt proces en op dezelfde wijze als een denkbeeld ontstaat, worden de dingen buiten ons, voor ons tot vorm. Het zien is een reconstructie-proces, dat berust op de wetten der mathematica. Dit mathematische heeft dus zonder de beeldende bewustzijnsfunctie (het beeldend zien) in de kunst geen beteekenis. Meetkunde is een ruimtevoortbrengend procédé en zooland de beeldende kunst (ik zei reeds dat de moderne kunst het accent in ’s bijzonder op de ruimte ligt) met de ruimte te maken heeft, zal hij voeling hebben met het mathematische . De groote beteekenis der schilderkunst is juist, dat zij van een drie-dimensionale, lichamelijke realiteit uitgaande, aan een vlakbezetting in een vlakruimte moet uitkomen, wil zij niet vervallen in de fout, dat het schilderij in de realiteit overgaat. In het „ornamentale”

69
  1. Mozart, die toch niet van gevoeligheid, teederheid, innigheid enz. is vrij te pleiten, zeide dat muziek hoorbare wiskunde was.