Pagina:Stijl vol 02 nr 12 p 133-144.djvu/7

Deze pagina is proefgelezen

gestalten die de idee in tijd aanneemt, volgens tijdsperioden te determineeren en te catalogiseeren, waardoor zij het kunstwerk juist plaatsen buiten, inplaats van in het leven, terwijl zij in tegenstelling met de kunstenaar het bizondere naspeuren, inplaats van het algemeene te zoeken, de analyse stellen voor de synthese.
Daar mij uit ervaring gebleken is, hoe treurig het staat met de aesthetische ontwikkeling der studeerenden aan de Universiteit, — men neme in Leiden eens de wanden van een studentenkamer op, schots en scheef geplakt met pornografische prentjes of andere bizarrerie —, kan ik met de zinsnede op blz. 7: „er moet een gaping gedempt in het onderwijs in het zien” volkomen instemmen. Op enkele uitzonderingen na — zelfs „De Stijl” telt lezers onder de studenten! — laat elk aesthetisch onderwerp den student ten eenenmale onverschillig en het is zelfs niet mogelijk over het meest klein-burgerlijke begrip van schilderkunst of architectuur heen te krijgen. Om hierin verandering te brengen is het van belang, dat de docenten eerst zelf in staat blijken kunst anders dan optisch of kunsthistorisch, — volgens scholen en data, — te zien. Zoolang de enorme kloof op ’t gebied van aesthetisch zien, vanaf de lagere scholen [1], H. B. S. en Gymnasia niet gedempt is, neem ik aan dat de studeerenden aan de Universiteiten, kleur en ding visueel moeten leeren zien. Doch dit zal de bedoeling van Mej. Neurdenburg niet zijn.

ALGEMEENE SLOTBEMERKINGEN.

Wanneer we de invretende armoe aan schoonheid in onze samenleving ervaren, dan komen we tot het inzicht, dat elke maatregel om het tekort aan schoonheidsbewustzijn aan te vullen door onderwijs van buiten af, ook al zou daar op de lagere school mede begonnen worden, falen moet. Het aesthetisch gebrek immers wortelt in de geheele constructie van een samenleving die met de ontkenning van den geest begon. Wij beseffen, dat er maar één radikale verbetering mogelijk is: de vernietiging van dezen individueelen vorm van samenleving, die het weer mogelijk zal maken, dat de kunst weer een organisch deel van het leven wordt. Wanneer op universeelen grondslag alles in ons leven weer een aesthetischen vorm gaat aannemen zal de mensch vanzelf, van kindsbeen af, in schoonheid, in stijl opgroeien. Tot nog toe was dit door het afzonderlijke, individueele karakter der kunst en samenleving, der kultuur, niet mogelijk.
Te lang heeft den mensch beheerscht en is gehuldigd geweest het begrip dat de kunstenaar als een soort wilde, van de wereld afgezonderd behoorde te leven, om in zelfgenoegzaam egoïsme en in den ban van levensvrees buiten-het-levenstaande kunstwerken voort te brengen. Wij zijn een nieuw tijdperk ingetreden, waarin de kunstenaar in zijn aesthetische, tegelijk een pædagogische en sociale roeping vervult. De kunstenaar heeft deel aan de kultuur. Hij vormt haar. Hij staat in het leven en het leven staat in hem. Elke nieuwe gedachte op het universeele leven veroverd is een nieuwe ruimteafmeting, die door hem heenging, en, wil zijn werk althans inhoud hebben en niet in systeem verdorren, tot gestalte komt is de beelding.
Zoolang de samenleving de verwerkelijking van deze begrippen, door tragiek, niet toelaat of verhindert, valt er van welke wending in het kunstonderwijs ook, niets te verwachten.

139
  1. De Montessori-methode is al een groote verbetering op dit gebied.