Pagina:Vergif.djvu/140

Deze pagina is proefgelezen
142

monebimini, monebuntur," antwoordde kleine Marius.

"Ja, je bent een knappe jongen!—je bent de knapste van de klasse in het latijn, dat heeft de rector vandaag nog gezegd toen hij hier was. Maar je herkende hem niet, maar je kent mij, niet waar? kleine Marius, je kent moeder? — zeg—niet waar?—je kent me?"

"Ad, ad versus, ante, apud, circa, circiter," begon kleine Marius.

"Neen, neen, lieve kleine Marius!—geen latijn, dan ben je lief. Ik weet wel hoe knap je bent, en ik ben zoo dom—dat weet je. Maar zeg me maar dat je me kent, dat je blij bent om mij, dat je niet van me weg zult gaan, dat ik je lieve moeder ben,—zeg dat maar,—zeg maar: lieve moeder!—zeg maar: moeder!"

"— fallo, fefelli, falsum," antwoordde kleine Marius.

O God, o God, die vreeselijke taal! wat hebben zij mijn armen jongen gedaan! hij zal sterven zonder zijn moeder genoemd te hebben, zijn ongelukkige misdadige moeder, die zijn leven heeft weggenomen met die vervloekte geleerdheid!"

Zij stortte zich de gang in, in de hoop dat de dokter er was; maar het was slechts een van de bovenbewoners die thuis kwam.

Toen ging zij terug naar de slaapkamer; maar