Pagina:Vergif.djvu/169

Deze pagina is proefgelezen
171

te onthouden wat hem de keus gemakkelijk, of om hem tot iets te dwingen wat hem de keus onmogelijk zou maken. Hoe zouden wij oprecht tegenover onzen zoon handelen, als wij niet tegen hem kunnen zeggen: wil je de proef met jezelf nemen?—of heb je al bij voorbaat gekozen?"

"Nu verdraai je het, Carsten."

"Neen, dat doe ik niet. Abraham is groot genoeg om te begrijpen wat het zeggen wil; daarom juist heeft hij zoo lang gewacht; laat hem nu zelf kiezen of hij aangenomen wil worden, ja of neen. Ik dacht dat jij, met je sterk gevoel voor vrijheid en recht, dit juist goed moest vinden."

"Nu, goed! Laat hem kiezen!" riep mevrouw Wenche; maar dadelijk daarop voegde zij er bij: "och neen, waartoe zou het dienen? Zulk een jongen! hij zou natuurlijk kiezen om net als de anderen te zijn, al was het maar om rust te hebben; neen, neen, Carsten! het zou een groote zonde van ons zijn als wij onzen zoon met open oogen lieten binnengaan bij de leugen en den schijn."

"Zeg eens, Wenche, hoe lang denk je voort te gaan met voor je zoon te kiezen? ben je van zins om op zijn tijd ook een vrouw voor hem te kiezen?"

"Larie, Carsten! ik ben het juist die er op aandring dat hij vrij zal zijn."