Pagina:Vergif.djvu/80

Deze pagina is proefgelezen
82

"weet u dan werkelijk niet dat professor Lövdahl schoolraad is?"

"Carsten?—mijn man? neen, dat is al te mooi. Och, meneer Abel, zou u mijn man eens willen roepen? ik zou hem zoo graag eens zien als schoolraad."

Meneer Abel vloog als een haas door de portière en kwam terug met den professor, die kaarten in de hand hield.

"Wat is dat voor een grap, Wenche?" vroeg hij vroolijk.

"Een heerlijke grap! ze zeggen dat jij schoolraad bent, Carsten!" —

"Ja, zeker ben ik schoolraad."

"Dat jij de uitdrukking bent van de belangstelling der ouders in de kinderen op de school." —

"Ja, heb je dan nooit gezien hoe ik bij de prijsuitdeeling vooraan zit op een stoel met een hoogen rug, naast den burgemeester?" vroeg de professor onvoorzichtig; "maar laat me nu gaan, ik heb mijn handen vol troef."

De andere heeren dachten wel dat de professor een beetje anders geantwoord zou hebben, als hij mee in 't gesprek was geweest. Maar mevrouw Wenche was op eens ernstig geworden:

"Ja, ziet nu eens, wat er van aan is! als ik op het juiste moment dat groote woord niet verdronken had in den lach dien het verdient,