Pagina:Verzameling van Nederlandse staatsregelingen (1798-1815).djvu/121

Deze pagina is gevalideerd

Van Overijssel     3 ———

Van Zeeland 3 ———

Van Groningen    3 ———

Van Utrecht 3 ———

Van Drenthe 3 ———

Het getal van de Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogende zal door de Wet kunnen worden vermeerderd, in geval van vergrooting van Grondgebied.

2. Ten einde voor ditmaal overtegaan tot de benoeming der negentien Leden van de Vergadering van Hun Hoog Mogende, door dewelke het getal in het voorgaande Artikel bepaald, tot voltalligheid zal gebragt worden zal de Vergadering van Haar Hoog Mogende aan de Koning eene Nominatie aanbieden van twee Personen voor iederen der te vervullene plaatsen.

De Departementale Vergadering van ieder Departement zal op gelijke wijze eene Nominatie van twee Personen aanbieden de Koning zal uit die aangebodene Personen de keuze doen. 3. De tegenwoordige Raadpensionaris zal den Titel nemen van President van Hun Hoog Mogende, en aldus zijn leven lang blijven fungeeren.

De keuze van zijne Opvolgers zal geschieden op de wijze bij de Constitutie van den jare 1805 vastgesteld.

4. Het Wetgevend Ligchaam zal buiten deszelfs midden een Griffier met meerderheid van stemmen benoemen.

5. Het Wetgevend Ligchaam zal gewoonlijk vergaderen tweemaal in 't jaar, te weten van den 15 April tot den 1 Junij en van den 15 November tot den 15 Januarij ; hetzelve kan buitengewoon door den Koning worden zamen geroepen.

Op den 15 November van ieder Jaar, zal 't oudste vijfde gedeelte der Leden, 't Wetgevend Ligchaam uitmakende aftreden ; de eerste aftreding zal plaats hebben den 15 November 1807, en voor ditmaal zal 't Lot de eerste aftredingen bepalen ; de aftredende Leden zijn altijd weder verkiesbaar.

VIJFDE AFDEELING.
Van de Regterlijke Magt.

1. De Regterlijke inrigtingen, zoo als dezelve bij de Constitutie van den jare 1805 zijn vastgesteld, zullen bewaard blijven. 2. De Koning, zal, met betrekking tot de regterlijke magt, uitoefenen alle de Regten en al de magt welke aan den Raadpensionaris zijn toegekend bij 't 49ste, 51ste, 56ste, 79ste, 81ste en 87ste Artikelen van de Constitutie van den jare 1805.

3. Alles wat betrekking heeft tot de uitoefening der Crimineele Justitie in Militaire Zaken, zal bijzonderlijk door eene nadere Wet bepaald worden.