Pagina:Verzameling van Nederlandse staatsregelingen (1798-1815).djvu/128

Deze pagina is gevalideerd

danige, welke haar door den Koning worden voorgedragen.

Dezelve vereenigt zich met de Voordragt, of verwerpt dezelve, zonder daarin eenige verandering of wijziging te maken.

58. Hun Hoog Mogende, de voorgedragene Wet hebbende goedgekeurd, geven daarvan onmiddelijk kennis aan den Koning, welke met de promulgatie en executie daarvan belast is. — Wanneer Hun Hoog Mogende de voorgedragene Wet verwerpen, geven zij daarvan, met opgave der redenen van weigering, kennis aan den Koning, welke alsdan hetzelfde Ontwerp, nader gemotiveerd of met eenige verandering, andermaal kan voordragen.

59. Alle Besluiten van de Vergadering van Hun Hoog Mogende worden geteekend door den President, en gecontrasigneerd door den Griffier hunner Vergadering.

60. Het Wetgevend Ligchaam zal buiten deszelfs midden een Griffier met meerderheid van ftemmen benoemen.

61. Er kan geene Oorlogsverklaring plaats hebben, dan na een voorafgaand Befluit van Hun Hoog Mogende, op Voordragt van den Koning genomen.


VIERDE AFDEELING.
Van de Departementale- en Gemeente-Besturen.

62. De Departementale Besturen zijn belast met het doen uitoefenen der Wetten en Bevelen, welke aan hun van wegens het Gouvernement worden gegeven.

63. De Gemeente-Besturen zijn bevoegd tot het regelen van hunne huishoudelijke belangen, op den voet en wijze bij de Wet bepaald.

64. Leden van Gemeente-Besturen kunnen onder geen voorwendzel in Persoon voor het Departementaal Bestuur tot verantwoording worden opgeroepen; zij kunnen alleen wegens misdrijf of verzuim in hunne Bediening, voor het Departementaal Geregtshof worden te regt gesteld.


VIJFDE AFDEELING.
Van de Regterlijke Magt.

65. Het Regt wordt in naam en van wegens den Koning uitgeoefend.

66. De Regterlijke Magt wordt alleen uitgeoefend door Regters, ingevolge de Wet aangesteld. Geene politieke Magt vermag de onafhankelijkheid der Regters, in de uitoefening van eenig gedeelte van hunne werkzaamheden, te belemmeren.

67. In geene Regtbanken zullen de Leden, bij derzelver aanstelling, elkander onderling, of ook de publieke Aanklagersbij dezelve, bestaan, tot in den vierden graad van Bloedverwantschap of Zwagerschap. — Niemand kan den Post van Regter of publieken Aanklager waarnemen, die