Pagina:Verzameling van Nederlandse staatsregelingen (1798-1815).djvu/92

Deze pagina is gevalideerd

Uitgaven, legt de Wet, achtervolgens Art. 40 nieuwe Belastingen op, welke gelijklijk door alle de Ingezetenen der Republiek naar gelang van derzelver inkomsten gedragen zullen worden.

59. Uiterlijk op den ecrsten November van ieder Jaar, draagt het Staats-Bewind volgens Art. 40 de Begrooting der benodigde Uitgaven en de middelen tot goedmaking der zelve voor het volgende Jaar aan het Wetgevend Ligchaam voor op deze Begrooting wordt echter niet gebragt zodanige Somme, als het Wetgevend Ligchaam Jaarlijksch tot geheime Uitgaven aan het Staatshewind zal toestaan, deze voordragt wordt door het zelve in besloten Vergadering den tijd van vier weken, in overweging genomen gedurende welke tijd hetzelve de nodige conferentien deswegens houdt met het Staats-bewind. De publieke discussiën vervolgens begonnen zijnde, moeten uiterlijk binnen veertien dagen geëindigt en de voordragt vóór of op den 15 December finaal ter Conclusie worden gebragt.

60. Ingeval eener buitengewoone Petitie kan het Wetgevend Ligchaam de voordragt van het Staats-Bewind op dezelfde wijze gedurende veertien dagen in overweging nemen. discussiën deswegens begonnen zijnde, worden binnen agt dagen ten einde gebragt.

61. Bij het overgeven der Begrooting Art. 59. vermeld, wordt tevens een algemeene Staat van alle ontfangsten en uitgaven der Nationale Kas gedurende het afgeloopen voorgaande jaar door het Staatsbewind aan het Wetgevend Ligchaam overgelegd, met bijvoeging eener schriftelijke verklaring, door alle de Leden onderteekend, dat van de Penningen tot geheime Uitgaven aan het Staatsbewind toegestaan geen ander gebruik gemaakt is dan ten algemeenen nut der Republiek.


Van de Departementale Besturen.


62. leder Departementaal Bestuur bestaat naar gelang der talrijkheid van deszelfs Ingezetenen, uit niet minder dan zeven en niet meer dan vijftien Personen. binnen hetzelve woonachtig en voords alle de vereischten bezittende, welke bij Art. 54 in de Leden van het Wetgevend Ligchaam vereischt worden, dezelve treden op eene regelmatige wijze jaarlijks af, en worden verkozen op zoodanige wijze als de Wet, overeenkomstig Art. 22 nader zal bepalen, tot welken tijd toe en tot dat de keuze der nieuwe Leden diensvolgens zal zijn geschied, het thands plaats hebbend Bestuur der tegenwoordige Departementen zal blijven voortduren.

63. Het Staatsbewind zal voor ieder Departement eene Commissie uit deszelfs ingezetenenbenoemen, om den voet en inrichting van het Bestuur voor ieder Departement achtervolgens het bepaalde in het voorgaande Art. te ontwerpen. Deze ontwerpen zullen door de gemelde Commissiën binnen den tijd van acht wekenna derzelver benoeming, aan