Pagina:WilliamMorris1903KunstEnMaatschappij.djvu/38

Deze pagina is proefgelezen

belandden. Zij werden gemaakt voor den verkoop, niet in de eerste plaats voor het verbruik, en als ik zeg "zij", bedoel ik de geheele artikelen; hun kunstwaarde zoowel als hun onmiddellijk nut was nu een koopwaar geworden, in omloop gebracht naar gelang van de behoeften van den kapitalist, die den arbeider, nu een stuk machine, en den ontwerper beiden in zijn dienst had, welke evenzeer gebonden waren door de behoefte, winst te maken, want gij begrijpt, dat in dezentijd de verdeeling van arbeid al zulk een uitwerking had gehad, dat de werklieden in plaats van kunstenaars, zooals zij vroeger waren, nu verdeeld konden worden in werklieden die geen kunstenaars, en kunstenaars die geen werklieden waren. Deze verandering had ongeveer haar hoogtepunt bereikt in het midden der achttiende eeuw; ik behoef hier niet den langzamen achteruitgang der kunsten te volgen van de vijftiende eeuw tot deze periode toe. Ik volsta met te zeggen, dat hij langzaam, maar zeker tot stand kwam; slechts daar, waar de menschen min of meer buiten de groote woelingen van het beschaafde leven stonden, waar het leven ruw was en er slechts huisarbeid voortgebracht werd, kon men aan de kunstprodukten eenigermate zien, dat er met lust aan gearbeid was: elders heerschte de schoolschheid algemeen. De schilders, die ons het leven en de idealen van heiligen en helden hadden laten zien, als door een venster, dat slechts zij konden openen, ja zelfs de hemelen en de stede gods uitgespreid over de aardsche stad hunner liefde, veranderden, voorzoover zij nog iets meer beteekenden dan ingebeelde kladschilders, in hoofsche vleiers van leelijke deftige dames en domme, oppervlakkige edellieden.

Wat de bouwkunst betreft, wat kon men in dat opzicht verwachten van een groep menschelijke machines, die

20