Pagina:WilliamMorris1903KunstEnMaatschappij.djvu/81

Deze pagina is proefgelezen

welke verdrukking nog maar zeer kort bestaat en bijna uitsluitend zich beperkt tot onzen tijd. Ik zou u gaarne de geheele geschiedenis van deze oude kunst vertellen, doch de tijd ontbreekt mij, om u meer dan de buitenste omtrekken te geven. De oude Egyptenaren waren goed op de hoogte met de bijzonderheden dezer kunst. Ik zelf heb wol rood geverfd door hetzelfde proces dat de mozaïek-ververs gebruikten en van de oudste tijden her verstond men in Indië deze kunst volkomen. Als ik heden ten dage wat van de hierboven genoemde roode verf wil hebben voor mijn eigen gebruik, moet ik deze laten komen van Argolis of Acarnania en Plinius zou zich geheel thuis hebben gevoeld in den verfwinkel van Tintoretto's vader of meester. De kunst onderging geen verandering, noch in het oosten noch in het noorden, tot na de ontdekking van Amerika; dit schonk den ververs een nieuwe grondstof die goed en een die twijfelachtig of slecht was. De goede was de nieuwe dierlijke kleurstof, cochenille, die aanvankelijk alleen gebruikt werd om scharlakenrood of blauwachtig rood te verven en de andere roode dierlijke kleurstof hierboven genoemd ver achter zich liet, door de klassieke volkeren coccus genoemd en door de Arabieren al-kermes. De slechte nieuwe grondstof was campechehout, zulk een vluchtige verfsoort, dat het op zich zelf als kleur (zooals het in den aanvang gebruikt werd) geheel waardeloos was en naar mijn meening verder ook van geen nut. In Amerika werd geen andere nieuwe verfstof van beteekenis gevonden, ofschoon de onderzoekers zulk een voorraad houtsoorten vonden met roode kleurstof, dat een onmetelijk groot land in Zuid-Amerika daaraan zijn naam van Brazilië (fernambukhout) ontleende. De volgende verandering kwam ongeveer in 1630, toen een Duitscher toevallig ontdekte,

59