Pagina:WilliamMorris1903KunstEnMaatschappij.djvu/92

Deze pagina is proefgelezen

en bekijk eens de beeltenis van dat onnoozele wezen Miss Rose Maylie.[1]

Dit was het eerste tijdvak, dat ik gezien heb; hierop volgde langzamerhand een ander dat op zijn hoogtepunt tenminste niet beschuldigd kon worden van overgroote liefde voor welvoegelijkheid: dit was het tijdperk der crinoline. De houtsnee-werken van John Leech geven u uitstekende afbeeldingen van alle stadiën dezer periode. Het had één verovering op zijn voorganger gemaakt: het veroorloofde de vrouwen het haar natuurlijk en sierlijk op te maken, maar overigens legde het zich klaarblijkelijk alleen toe op schreeuwende onbeschaamdheid. Ik heb reden te hopen, dat de achteruitgang der kleeding zijn diepste peil bereikt heeft in dit kostuum van het Tweede Keizerrijk.[2] Dit is het tweede tijdvak dat ik gezien heb en het einde hiervan voert ons naar het begin van den bestaanden toestand; nu de vrouwenkleeding over het geheel is of kan zijn bevallig en rationeel (ik zeg kan zijn), want het meestbelovende kenmerk van het tegenwoordige tijdvak is vrijheid: in de twee voorafgaande was geen vrijheid. In dat van de ongenaakbare welvoegelijkheid was het een dame niet geoorloofd zich bevallig te kleeden, zij kon het niet doen; indien zij zich onder de crinoline-overheersching eenvoudig en net gekleed had, als een dame, zou zij in de straten nageroepen zijn, doch tegenwoordig en al sedert eenige jaren kan een dame zich eenvoudig en bevallig kleeden en toch niet de aandacht trekken alsof zij iets vreemds of opgesmukts in hare kleeding

  1. Het is niet mijn bedoeling, hiermede in eerbied voor Dickens te kort te schieten, van wien ik een groot vereerder ben.
  2. Ik hoop het inderdaad, doch sinds deze Lezing gehouden werd, nemen de verschijnselen toe, die er op wijzen, dat deftige dames probeeren willen, of leelijkheid niet aantrekkelijker kan zijn dan schoonheid.
70