Pagina:Winkler-Zand en duinen (1865).djvu/114

Deze pagina is gevalideerd
102
HET KONIJN.

lange gangen die allen in verschillende rigtingen naar het hol loopen, en het konijn in staat stellen om uit den eenen gang te ontvlugten als een vijand den anderen indringt. In dat hol liggen de jongen veilig, en zij hebben des te meer behoefte aan veiligheid daar zij naakt en blind ter wereld komen. De wijfjes gaan met de jongen zeer zorgvuldig om, en maken voor haar kroost in eene bijzondere afdeeling van het hol een nest van hooi en drooge bladeren, dat zij met haar, uit de eigen huid geplukt, voeren. De vruchtbaarheid van het tamme konijn is ontzaggelijk: reeds met de zesde maand is het wijfje volwassen, en werpt in een enkelen zomer vier- of vijfmaal vijf jongen en soms meer. Men wil dat een enkel paar konijnen zich in vier jaren tot een getal van 1 200 000 stuks vermenigvuldigen kan. Plinius verhaalt dat de bewoners der Balearen zelfs militaire hulp tegen de konijnen inriepen, en dat geheele scheepsladingen konijnen van die eilanden vervoerd werden. De konijnenfokkers van Ostende leveren tegenwoordig alle weken van 50 000 tot 100 000 stuks, die naar Londen gevoerd worden. Doch in den wilden staat is die vermeerdering zekerlijk niet zoo groot, daar anders het konijn, dat door den jager niet veel geacht wordt, en door roofdieren slechts met moeite te vangen is, zekerlijk reeds lang tot eene landplaag zoude geworden zijn. Wel is in ons land het konijn eene duinplaag: wij hebben boven gezien hoe het graven van het konijn eene der grootste aanleidingen tot het verstuiven der duinen is, en zal men eenmaal met ernst aan eene duinbeplanting denken, dan zal het uitroeijen van het