Pagina:WitteHeinrich1890 In en om Valkenburg.djvu/108

Deze pagina is gevalideerd
96
NAAR DEN KEUTENBERG.

gen, dat we meenden hem reeds bereikt te hebben, toen we hem zagen, en toch waren we er nog een klein kwartier van af.

Daar ginds echter, bij die twee alleenstaande huizen (Ingwegen genaamd) zal 't wel zijn, want daar schijnt een weg tusschen te liggen.

Een weg, nu ja, als men 't zoo wil noemen; een pad in elk geval, en nu we er bij gekomen zijn, zien we dat dit door een vallei loopt, maar tevens dat het zich op eenige schreden afstands in tweeën splitst, waarvan er een zeer steil tegen den berg oploopt.

Dát moeten we hebben, zegt de vrouw, aan wie we 't vroegen.

't Is nu juist geen heel smakelijk gezicht, dat steile, kale bergpad, schuin tegen den berg aan. De zwoelte van daar straks is hitte geworden; de lucht werd volkomen helder en de zon blakert dezen oostelijken bergrug dat onze oogen er van schemeren.

Toch, als men maar doortast, valt het nog mee; minder echter is dit het geval met het gehucht waar we nu belanden.

Op den 176 Meter hoogen Keutenberg ligt het dorpje van dien naam, immers als men het een dorp wil noemen; 't zijn eigenlijk maar eenige ter weerszijden van den weg staande, zeer onaanzienlijke huizen, plus de noodige mestvaalten; alles te zamen wel heel landelijk, maar zeker niet erg fraai. Uitzicht in 't geheel niet.

Dit zal dus aan de andere zijde van den berg moeten gezocht worden, want deze is toch om het ruime uitzicht bekend.

We gaan den weg tusschen de huizen rechtuit, waar maar een paar minuten voor noodig zijn, en hebben nu, aan de Westelijke zijde, wel een ruim uitzicht