Pagina:WitteHeinrich1890 In en om Valkenburg.djvu/118

Deze pagina is gevalideerd
106
HET ST. JANSBOSCH, DE SIBBER GRUB, ENZ.

ingang van het bosch, ter linker zijde, een met gras begroeide, breede Sparrenlaan zien, waarin echter maar een zeer smal voetpad te herkennen is. Volgt men die gedurende een minuut of vijf, dan komt men, na eenige flauwe bochten aan een bank, waaruit blijkt dat deze plek niet zoo geheel verlaten is als de eerste indruk ons deed vermoeden.

Een klein eindje verder eindigt deze breede laan. Intusschen zou men geneigd zijn, bij een sterke bocht naar links, een twijfelachtig voetpad te volgen; men zij daar echter bij vochtig weer of na een zware regenbui op zijn hoede, wijl men, die bocht omgegaan zijnde, zeer spoedig gevaar loopt tot over de enkels in den modder te zakken. Bij zeer droog weer gaat het echter goed, en ziet men dat dit schijnbare pad naar boven loopt, maar spoedig verliest het zich geheel in de dichte heesters. Denkelijk is hier vroeger werkelijk een pad geweest, maar heeft men het verlaten, om de drassigheid van den grond onmiddellijk na de bocht. Uit een midden op het pad ingegraven steen kan men zien dat men te ver ging.

Maar waar dan heen, want nergens is hier een ander pad te zien?

Inderdaad is dit niet in 't oogloopend, maar er is er toch een, en wel een directe communicatie aanbiedende tusschen de laan die we doorwandelden en den grooten boschweg.

Zoodra men de bank voorbij is en daar waar de laan eigenlijk eindigt, heeft men ter rechterzijde slechts goed uit te zien, en men zal spoedig een twijfelachtige opening tusschen de dichte heesters gewaar worden. Als men daar in of liever daar tegenop ziet, heeft het veel van een door stortregens in de steile helling uitgespoelde sleuf. Het zijn ruwe, in den stee-