Pagina:WitteHeinrich1890 In en om Valkenburg.djvu/34

Deze pagina is gevalideerd
22
DE GROT.

Eeuwen aan eeuwen zagen die wanden menschen van verschillende elkaar opvolgende geslachten als mieren in het zweet huns aanschijns werken voor hun bestaan, en tienmaal, honderdmaal zooveel langer zullen ze nog volkomen onveranderd blijven gelijk ze thans zijn, tenzij de zee dit land weer overstroomt en de gangen volspoelt, of een aardbeving of vulkanische uitbarsting deze doet instorten.

Reeds merkten wij op dat een overjas hier geen weelde is. Inzonderheid in het midden van den zomer, bij heet weer, is dit het geval, daar dan de overgang uit de heete droge, in die kille, zeer vochtige lucht, anders allicht verkoudheid na zich zou sleepen. Toch kan het in den berg zelf niet koud genoemd worden, daar de temperatuur er steeds en overal dezelfde is. Ons bleek dat de thermometer in alle door ons bezochte gangen standvastig op 14° C. (64° Fahr.) bleef staan. Dat de lucht er zeer vochtig is, hiervan kan men zich op verschillende wijzen overtuigen.

Bij veel bijzonderheden staan we stil in den Valkenburgschen Berg, bij veel meer dan in den St. Pietersberg, maar we kunnen hier over dit alles niet uitweiden.

Vooreerst zijn het de talrijke teekeningen tegen de wanden. De zeer gemakkelijk glad te slijpen zandsteen leent zich uitstekend voor koolteekeningen. Men ziet er van allerlei aard; knoeiwerk, ander dat veel aanleg verraadt, maar veel meesterwerk ook; portretten, karikaturen in menigte, soms zeer geestige, allegorische voorstellingen, enz., terwijl de overblijvende ruimten allen beschreven zijn, natuurlijk met de namen van bezoekers, die hier een middel vonden om hun naam te vereeuwigen; ook van historische personen, vorsten, staatslieden, kunstenaars,