Pagina:WitteHeinrich1890 In en om Valkenburg.djvu/59

Deze pagina is gevalideerd
47
DE SCHAESBERG. — SCHIN OP GEUL.

wat gemakkelijker wenschen, of tegen dit laatste zonnige pad opzien, nog slechts een eind rechtuit door te wandelen, om, even vóór een beeldengroep, een gemakkelijken rijweg in de richting die ze afkwamen tegen den berg op te vinden.

Na een poosje klimmens zien we tusschen het dichte groen helder licht schemeren. Zou dit reeds de kruin van den berg zijn? Dan is die veel minder hoog dan we dachten. Als we echter die plek genaderd zijn, zien we wel beter, maar dan kijken we elkaar niet alleen verwonderd, maar ook aanvankelijk wel wat teleurgesteld aan; immers we zien ons hier plotseling in onze wandeling gestuit, door niets minder dan een zeer breeden en diepen hollen weg, die in de berghelling voor den spoorweg werd uitgegraven.

Het is dus onmogelijk rechtuit verder naar boven te gaan; gelukkig echter dat we aan den rand van die diepte een smal pad ontdekken, in de richting van een brug over den spoorweg, waarbij een wachtershuisje staat.

Als we niet geheel en al kinderen waren der negentiende eeuw, zouden we geneigd zijn het met den naam van vandalisme te bestempelen, dat men deze schoone natuur aldus ontwijdde; nu zeggen we alleen dat het jammer is, want inderdaad is hier door dien ijzeren weg alle poëzie aan deze liefelijke plek ontnomen. Gelukkig echter slechts zeer plaatselijk, want na een minuut of vijf onzen weg vervolgd te hebben, zijn we weer van dien storenden indruk verlost.

Nu we bij die houten brug zijn gekomen, blijkt ons tevens waarom die daar noodig was, wijl het toch niet kon verondersteld worden, dat men haar