Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/110

Deze pagina is gevalideerd

60

met dien van eene Spar. Is het geheel tot rijpheid gekomen, dan bersten die vruchtjes open, en uit elk daarvan komt één groote, bruine zaadkorrel te voorschijn, die echter aan een draad, de navelstreng genoemd, blijven hangen.

De Magnolia's, hoe prachtig ze ook zijn, en hoevele soorten en verscheidenheden, welker aantal meer dan twintig bedraagt, er van in den handel voorkomen, treft men toch verre van zoo algemeen in de tuinen van partikulieren aan, als men zou mogen veronderstellen. Dit mag ten deele gezocht worden in de vrees, dat zij aan onze winters geen weerstand bieden kunnen, welke vrees echter ten eenemale ongegrond is.

Men zij echter voorzigtig met het verplanten. De ondervinding toch heeft geleerd, dat deze boomen of heesters de verplanting dan het best verdragen, wanneer ze in het voorjaar in ontwikkeling, wanneer dus de vroegbloeijende soorten reeds met bloemen beladen zijn. De reden hiervan zal wel deze zijn, dat de grond zoowel als de lucht vóór dien tijd nog te koud zijn en de wortels dan te lang in stilstand blijven verkeeren en daardoor sterven, waarvoor later geen vrees meer bestaat. Voorts mogen bij het verplanten de wortels niet van de aarde ontdaan worden, maar moet de kluit zorgvuldig, door middel van eene mat of stroo, bijeengehouden worden, welk omwindsel men er niet van verwijdert, maar de kluit met de mat of het stroo in den grond plaatst.

De Magnolia's beminnen een lossen, voedzamen, maar vooral niet te droogen grond, waarom bij het planten ook niet vergeten moet worden den grond om den stam goed te begieten, 't welk men volhoudt tot de groei zigtbaar geregeld is. Daar de bladeren groot en teêr zijn, en, even als ook de bloemen, ligt door den wind beschadigd worden, plaatse men ze op eene min of meer beschutte standplaats, maar toch steeds zoodanig, dat men er in 't voorjaar een vrij gezigt op heeft.

De vermenigvuldiging heeft gewoonlijk door het afleggen der takken plaats; ook door zaden, die echter hier te lande veelal niet goed tot rijpheid komen, kan men ze zeer goed aankweeken, mits men die niet te lang droog laat liggen, maar ze spoedig na de inzameling in den grond legt. Dit gaat echter veel langzamer, daar het niet zelden een jaar, of langer zelfs, duurt eer deze uit den grond te voorschijn komen.