Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/79

Deze pagina is gevalideerd

39

Reeds van 't begin van den zomer af, wanneer de lange, sierlijk overgebogene en aan de bovenzijde gootvormige bladeren zich beginnen te ontwikkelen, levert zulk een perk, door het donker groen der bladeren, 't welk zoo goed uitkomt tegen het lichtere groen van het omringende gras, een zeer fraai gezigt op. Maar eerst tegen 't laatst van Augustus, wanneer de sierlijke bloemtrossen—veelal, hoewel in dit geval onjuist, pluimen genoemd—tusschen de dan meerendeels ruim twee voet lange bladeren te voorschijn komen, biedt het geheel een prachtig schouwspel aan, 't welk nog oneindig verrassender is, wanneer zulk een perk aan de helling van een waterkant werd aangelegd, zoodat hij, die zich op eenigen afstand bevindt, als 't ware een aantal flambouwen in 't water teruggekaatst ziet.

Dat dit laatste echter geen noodzakelijk vereischte is om voldoening van deze planten te hebben, spreekt wel van zelf.

Hoewel de buitenste bladeren tijdens den bloei eene lengte van 2–2½ voet bereiken, zijn de planten dán, door het overhangen der bladeren, toch niet meer dan anderhalf voet hoog, zoodat de zware en digt gevulde bloemtrossen, hoewel eigenlijk niet langer dan de bladeren, door hun kaarsregten stand, er toch circa een voet bovenuit komen.

Al de bloemen bereiken echter niet aan denzelfden tros te gelijkertijd hare volle ontwikkeling; integendeel, de onderste zijn doorgaans reeds lang uitgebloeid en verwelkt, eer die aan den top geopend zijn. Dit schaadt evenwel in geenen deele aan de sierlijkheid van 't geheel, en geeft daarentegen het voordeel, dat de bloei, die anders vrij snel voorbij zou zijn, daardoor veel langer duurt en men er dus meer genot van heeft.

Het eenige wat men ten nadeele er van zou kunnen aan voeren is, dat de benedenste, verwelkte bloemen niet onmiddellijk afvallen, en dus aan den tros, wanneer deze eenigen tijd achtereen geopende bloemen voortgebragt heeft, een meer of min verwelkt aanzien geven.

Zeer nabij gezien is dit eenigzins het geval, maar op eenigen afstand—en men plaatse ze bij voorkeur zoodanig dat men er van verre het fraaiste gezigt op heeft—doet zulks aan het effect niet het geringste nadeel, en blijven ze prachtig tot aan de laatste dagen van den bloei. Trouwens de verwelkte bloemen dringen zich als 't ware digt om den steel heen, zoodat ze inderdaad veel minder in 't oog loopen dan men vermoeden zou. De nog geslotene knoppen zijn donker oranjekleurig; de geheel geopende bloemen lichter van kleur en tennaastenbij geel, terwijl de ver uit de bloemkroon te voorschijn komende meeldraden de afzonderlijke bloemen, van meer nabij gezien, nog sierlijker maken.

Ook als alleenstaande plant is ze aanbevelenswaardig, maar, ik herhaal het, men moet een aantal krachtig bloeijende planten er van bijeen hebben gezien, om hare schoonheidswaarde juist te kunnen schatten.

Daarvoor is echter in de eerste plaats noodig eene opene, warme en zonnige standplaats en voorts een luchtigen, zeer voedzamen grond, die vóór de planting diep omgewerkt is.

Ze weêrstaat in den open grond onze strengste winters, evenwel niet zonder eene fiksche bedekking, wat echter geenerlei bezwaar opleveren kan.

De bladeren blijven frisch groen en volmaakt gezond tot zelfs tegen den winter, maar men