Pagina:WitteHeinrichWandelBennekom1902.djvu/97

Deze pagina is gevalideerd
70
WAGENINGSCHE BERG, KEIJENBERG.

op en af, maar toch voornamelijk klimmende, dat zeker menigeen in verrukking zal brengen, en reeds een voorsmaak geeft van wat den wandelaar boven wacht.

Boven aan het hôtel gekomen, zal men moeheid en warmte vergeten, bij het gezicht van het bekende, prachtige panorama van dit hooge punt, over de met koeien bevolkte smaragdgroene uiterwaarden, den Rijn en de Betuwe[1].

Het hôtel verlatende kan men, het groote gebouw rechts omgaande, langs een der breede oprijlanen op den straatweg komen, wat dan ook zij, die hier vaak komen, geregeld doen; maar de vreemde bezoeker doet beter met eerst, rechts van het hoofdgebouw, een gemakkelijk te vinden uitzichtspunt op te zoeken, vanwaar het vergezicht over den kronkelenden Rijn zeker wel het fraaiste is.

Van dit punt loopt een uitgeregend voetpad naar beneden. Dit volge men; 't is een zeer geaccidenteerd pad, dat weer naar boven gaat, waar men natuurlijk op nieuw de Betuwe overziet. Daarna gaat het onder langs het landgoed Belmonte, waarvan het huis boven op den berg staat, steeds naar beneden. Er is voor hem, die in de Duitsche bergstreken dwaalde, niet veel ver-

  1. Wanneer men den straatweg volgt gaat men langs den watertoren, welks plateau, boven het reservoir, uitmuntend als Belvedère is ingericht. Daar die toren reeds op de kruin van den berg staat, is dit Belvedère niet zóó hoog dat men er tegen behoeft op te zien den gemakkelijken trap te beklimmen. Vooral het gezicht over de Betuwe, waarvan de verschillende dorpen aangeduid zijn, is daar schoon, niet minder ook dat over de boschrijke Veluwe. Wanneer men, in 't hôtel zijnde, er een half uur voor beschikbaar heeft, zal men het zich niet beklagen van deze gelegenheid om à vol d'oiseau de landstreek te overzien gebruik te hebben gemaakt.