Pagina:Witte 1888 Wilde rozen.djvu/163

Deze pagina is gevalideerd
147
BOOMEN.

Dit is het groote euvel bij de meeste nieuwe aanplantingen, want het is vooral bij nieuwe aanplantingen, dat men het er op moet toeleggen, om de boomen die men plant zoo te plaatsen, dat ze vinden wat ze behoeven.

Hiermede zijn echter gewoonlijk twee belangen in strijd.

De ontwerper van een plan, hetzij voor een tuin of een buitenplaats, is in vele gevallen leverancier tevens van het benoodigde plantsoen, hetzij hij dit zelf kweekt of het bij anderen koopt, en het zou al heel kinderachtig zijn er dezen een grief van te maken, dat hij gaarne zoo veel mogelijk levert.

Dit zou ik in zijn geval ook doen, en gij, lezer, zoudt niet anders handelen.

En het is te meer te billijken, omdat, hándelde hij anders, wilde hij planten gelijk het behoort, d.w.z. met het oog op de toekomst, de eigenaar daar geen vrede mee zou hebben.

Dit is dan ook de tweede reden, waarom gewoonlijk te dicht wordt geplant, en juist het dichte planten is oorzaak van de gebrekkige ontwikkeling der boomen.

Men wil uiterlijk in het tweede jaar, kon het zijn reeds in den eerstvolgenden zomer, de voor boomen en heesters bestemde perken dicht hebben, liefst zoo, dat men er niet door heen kan zien. Dit, meent men, maakt een aanleg fraai, geeft verrassende gezichtspunten, enfin‚ het behoort zoo.

Ik heb daar hoegenaamd niets tegen. Dichte boschjes zijn noodzakelijk, ze doen de lichte plekken beter uitkomen; als licht en schaduw elkaar behoorlijk afwisselen, zal de indruk van het geheel die zijn welke men verlangt.

Als zulke boschjes goed gesloten zijn, mogen er maar enkele—soms zelfs geen enkele—boomen of heesters in staan, die op zich zelf iets beteekenen, dat doet er niets toe; hier