Pagina:Witte 1888 Wilde rozen.djvu/208

Deze pagina is gevalideerd
192
UIT DE OUDE DOOS.

zeer fraai is, dan moet ge maar eens probeeren of ge iets ten haren nadeele weet aan te voeren, of een reden weet te vinden om haar te minachten.

 

 

Wij moeten beginnen met elkaar goed te verstaan; in dien zin namelijk, dat wij niet de ééne plant voor de andere nemen.

De hoogleeraar van Hall gebruikte het woord Leeuwebek voor het geslacht Linaria, welks hier te lande in het wild groeiende soorten inderdaad ook aldus genoemd worden, ofschoon sommigen deze door het bijvoegelijk naamwoord „klein" onderscheiden, of ze ook wel een geheel anderen naam geven, „Vlaskruid" namelijk:

Zeker is het dat, wanneer men, zonder nadere aanduiding, spreekt van de „Leeuwebek", men daardoor algemeen de „groote"

Linaria verstaat, welke door Linnæus Antirrhinum majus genoemd werd, en die professor van Hall de „Kalfssnuit" noemde, een naam, die mogelijk plaatselijk gebruikt wordt of bekend is, maar meer ook niet.

Dat de naam Leeuwebek aan twee verschillende geslachten wordt gegeven, laat zich gemakkelijk begrijpen, als men weet dat de meeste der tegenwoordige Linaria's vroeger ook Antirrhinum genoemd werden. 't Waren dus toen allen Leeuwebekken en ze zijn het gebleven, gelijk dan ook trouwens de bloemvorm, welke tot dien naam aanleiding gaf, bij allen dezelfde is, al verschillen ze veel in grootte.[1]

Komen er nu van de Linaria's verscheidene soorten in ons land in 't wild groeiend voor, met Antirrhinum is dit niet het geval, 't welk alweer niet te verwonderen is,


  1. Bij Linaria is de bloemkroon van een langere of kortere spoor voorzien, dat bij Antirrhinum niet het geval is; overigens is de bloemkroonvorm bij beide geslachten dezelfde.