Pagina:Witte 1888 Wilde rozen.djvu/300

Deze pagina is proefgelezen
284
DE CACTUS-GROEP.

tropisch Amerika (Brazilië, West-Indië, Mexico, enz.), zeer verspreide geslacht Peirescia[1], hetwelk zelfs de minder praktisch geoefende kruidkundige niet als tot de Cacteeën behoorende zou herkennen, tenzij dit uit de bloemen blijkt.

Dit zijn heesterachtige planten, zelfs boomen, met houtachtige stengels of stammen, meerendeels goed ontwikkelde eivormige bladeren dragende, welke ze tegen den rusttijd — met de winterrust onzer boomen overeenkomende—afwerpen; terwijl hare verwantschap met de Cacteeën alleen blijkt uit de bloemen, die, hoewel klein, volkomen dezelfden zijn, zoo mede uit de dorenbundels, welke ze aan den voet der bladstelen dragen.

Voor hem, die er belang in stelt, waar dit mogelijk is de Natuur in haar ontwikkelingsgang te bespieden, ten einde daardoor een juister begrip te verkrijgen van de verschillende zoo zeer uiteenloopende vormen, is dit geslacht, dat alleen, behalve aan de kruidkundigen[2], aan de echte Cactus-liefhebbers bekend is, hoogst merkwaardig, en het wordt dit voor elk, wien men op den rang, dien het in de ontwikkelingsreeks inneemt, opmerkzaam maakt.

Het is toch de schakel, waarmede de zonderling gevormde, bladerlooze Cactussen aan de bladeren dragende planten verbonden zijn; het stelt een overgangstoestand aanschouwelijk, gelijk er schaars een andere in het plantenrijk wordt aangetroffen.

  1. Veelal wordt, in navolging van Plumier, die dezen geslachtsnaam het eerst gebruikte, Pereskia geschreven, Dit is echter minder juist, daar het geslacht aldus genoemd werd naar den Franschen geleerde N.C.F. Peiresc, die in 1637 overleed.
  2. Juister is het misschien gezegd aan vele kruidkundigen. Er zijn toch, sedert de physiologie in de mode gekomen is, heel wat „botanisten", die bitter weinig planten kennen.