Rotterdamsche Courant/Jaargang 1854/Nummer 72/'s Gravenhage den 23 maart

’s Gravenhage den 23 maart
Auteur(s) Anoniem
Datum Zaterdag 25 maart 1854
Titel ’s Gravenhage den 23 maart
Krant Rotterdamsche Courant
Jg, nr ?, 72
Editie, pg [Dag], [1-2]
Opmerkingen Pierre Cuypers vermeld als Petrus Josephus Hubertus Cuypers
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

[1]


[...]


’s GRAVENHAGE den 23 maart.

      Bij Zr. Ms. besluit van den 18 dezer wordt de kapitein ter zee J. L. van Hasselt op zijn verzoek eervol afgevoerd uit het corps zee-officieren der Nederl. marine, met den laatsten dezer en met ingang van den 1 april aanstaande, ter zake van langdurige dienst, onder toekenning van een jaarlijksch pensioen van ƒ 1800.
      – Betrekkelijk het heden met zoo veel luister onthulde standbeeld ter eere van wijlen koning Willem II, treft men in het tijdschrift Astrea, dat dezer dagen het licht heeft gezien, eenige bijzonderheden aan. Wij deelen daaruit het volgende mede:


[2]


      In november 1851 vertrok het meesterstuk van den heer Eduard Frans Georges, beeldhouwer te Utrecht, naar Parijs, om daar te worden gegoten door den heer Simonet, een echt kunstenaar in dit vak, wiens naam, onderanderen, door het voortreffelijk ruiterbeeld van Godfried van Bouillon eene groote en algemeene vermaardheid verworven heeft.
      Het standbeeld van koning Willem II is te ’s Gravenhage geplaatst op het Buitenhof, tusschen het Ministerie van Buitenlandsche Zaken en den Vijverberg, op slechts weinige schreden afstands van het paleis des overleden Konings, werwaarts zijn beeld de regterhand heenstrekt, terwijl de linker rust op het zwaard, een kostbaar geschenk zijner teeder beminde Moeder, door hem in al de roemvolle tijdperken van zijn krijgsmansleven gedragen, en dat alzoo met regr een historisch zwaard heeten mag.
      Aan den voet van het standbeeld, dat 3,60 Ned. ellen groot is, bevinden zich op de vier hoeken van het monument (in het geheel met de stoep 8,45 Ned. ellen hoog) even zoo veel hoogst bevallige, met grooten kunst-ernst behandelde beelden, voorstellende: het Koningschap, met scepter en kroon op een kussen; de Wetgeving, met de tafelen der wet in den linkerarm en eene schrijfstift in de regterhand; de Kunstbescherming, die het palladium met eeuwige lauweren kroont, en de Weldadigheid, met den hoorn van overvloed, het sprekend beeld van den hoofdkaraktertrek des Konings, die zijne residentie en zijn paleis tot het middelpunt maakte niet alleen van kunst, maar van alles wat goed is en schoon, in elke rigting van den geest en van het menschelijk gemoed.
      Het voetstuk, in gelen Bremersteen bewerkt, en naar het plan van den architect Johannes Craner, te ’s Gravenhage, door de ervaren hand van den heer Cornelis Herman de Haart, te Utrecht, gebeiteld, voert, behalve vier kransen van eiken-, palm-, lauwer- en cypresbladeren, aan de eene zijde, regts, het wapen van het Koningrijk der Nederlanden, links een leeuw, rustig liggende op zijn zwaard, en daarbij de namen der gedenkwaardige slagvelden, waar de dappere Prins van Oranje de overwinning wegdroeg: Badajoz, Vittoria, Ciudad-Rodrigo, Salamanca, Quatre-Bras, Waterloo, Hasselt, Bautersem, Leuven. Op de voorzijde leest men het volgende opschrift in het Hollandsch en op de achterzijde datzelfde in het Latijn:

Aan
Koning
Willem II.
Het
Nederlandsche Volk
,
MDCCCLIII.
Regi
Gulielmo. secundo. Populus.
Hoc Monumentum
P. C.

MDCCCLII.

      Het ijzeren hekwerk, naar de teekening van den heer Petrus Josephus Hubertus Cuypers, geacht architect van Roermonde, in de werkplaatsen der heeren Georges, Cuypers en Stoltzenberg daar ter stede vervaardigd, en gegoten in de fabriek der heeren Sterkman en Comp. te ’s Gravenhage, is afkomstig uit de opbrengst der verkooping eener kopy van het vermaarde schilderstuk van Neêrlands beroemden historieschilder, wijlen J. W. Pieneman, te Amsterdam, voorstellende den held van Quatre Bras aan het hoofd zijner troepen, en waarvan het oorspronkelijk doek zich bevindt in het Koninklijk Lustslot van H. M. de Koningin-Weduwe. Deze kopy werd vervaardigd door den zeer bekwamen steenteekenaar den heer Frans Waanders, en uitgegeven in het lithographisch etablissement van den heer Mieling te ’s Gravenhage.
      Op last Van Z. M. vertrok den 6 october 1853 ’s Rijks stoomschip de cycloop, onder bevel van den luitenant ter zee eerste klasse H. Camp, van den Helder naar Havre de Grace, ten einde aldaar aan boord te ontvangen het kostbare brons, dat den 19den daaraanvolgende te Rotterdam aankwam, van waar het naar ’s Gravenhage is overgebragt, om er den 23 maart 1854 mee groote plegtigheid te worden ingewijd.
      Voor deze gelegenheid heeft de zeer verdienstelijke stempel-graveur van ’s Rijks munt te Utrecht, de heer J. Ph. Menger, eene fraaije medaille van de eerste grootte (7 centimètres) vervaardigd, waarop aan de eene zijde het grootsche gedenkteeken zelf is voorgesteld, met het opschrift: Optimus. Princeps. Fortissimus. Belli. Dux (de beste der Vorsten, de dapperste der helden), en aan de keerzijde het volgende opschrift, in een krans van lauwer- en eikenbladen:

Guilielmo. Secundo
Nederlandiae. Regi.
Gratus. Populus
Hoc. Monumentum
P. J.


dat is: „Het dankbaar Volk heeft dit gedenkteeken doen oprigten voor Willem II, koning der Nederlanden.” En in het rond daarvan: Nat. vi Deccmb. mdccxcii. Defunct. xvii Mart. mdcccxlix. „Geboren den 6 December 1792. Overleden den 17 Maart 1849.”
      Het Fransche Journal Universell’Illustration”, van den 21 januarij 1854, heeft, voor het buitenland, zoo van het monument als van het hekwerk en van de medaille, eene naauwkeurige afbeelding geleverd, vervaardigd naar de teekening van den heer A. van Groeneveldt, te Utrecht.
      – De voorstelling in den Koninklijken Franschen Schouwburg alhier zal zaturdag den 25 dezer bestaan uit de grand-opéra Charles VI.