Hoofdmenu openen

Wikisource β

Sicco Ernst Willem Roorda van Eysinga/Het bewaren van hout door teer/2

Het bewaren van hout door teer [2]
Auteur(s) R.v.E.
Datum Zaterdag 7 december 1872
Titel Het bewaren van hout door teer
Tijdschrift De Opmerker
Jg, nr, pg 7, 49, [2]
Opmerkingen Vervolg op Het bewaren van hout door teer [1]; Louis Melsens vermeld als Melsens
Brontaal Nederlands
Bron libserv.tudelft.nl
Auteursrecht Publiek domein

HET BEWAREN VAN HOUT DOOR TEER.


II.


(Vervolg van No. 45.)


      De doorsnede der met teer bewaarde stukken hout vertoont merkwaardige en verschillende eigenaardigheden, naar gelang van den duur der inspuiting en van de hoeveelheid ingespoten teer. In allen gevalle volgt de teer, die in de vezelachtige massa dringt, volkomen de omtrekken en bochten der draden in de lengte; zij vult ze zelfs bijna geheel, zoo zij in genoegzame mate is ingespoten geworden, terwijl zij in de blokken, die slechts eene onvolledige bereiding ondergaan hebben (ofschoon in vele gevallen zeer toereikende), tegen al de dwarsdoorsneden opgehoopt is, aldus de gangen sluitende, die den doortocht verleenen aan de bewerkers der vernieling.
      In de groote blokken beukenhout en wit hout neemt men lange strepen waar, waarin de teer niet is doorgedrongen, en niettemin bevindt men, na al de omstandigheden, die het bederf bevorderden, waarin deze blokken verkeerd hebben, het hout op zekere diepte volkomen gezond.
      Het is van belang op te merken, dat het bij de bereiding voor de nijverheid altijd noodig, althans zeer voordeeling zijn zal, aan het hout den vorm te geven, waarin het zal moeten dienen; de inkepingen voor de stoelen, de openingen voor de pennen moeten gemaakt worden vóór de inspuiting.
      Proeven, genomen door den heer Melsens op blokken eikenhout met bevochtigd ammonia-gas, toonen aan, dat de behoedende inspuiting nauwkeurig den weg volgt, dien het bederf zoude inslaan. Wij kunnen, tot ons leedwezen, den schrijver niet volgen in de vermelding dezer proeven, die in zijn arbeid door figuren worden opgehelderd. Wij zullen ons bepalen met te wijzen op het rationeele in eene wijze van bewaren. die het eerst werkt op de het meest aan bederf onderhevige gedeelten; het voorbehoedmiddel dringt in al de punten, die het bederf zou volgen en maakt dit dus onmogelijk. Een ingenieur, met wien de heer Melsens aldus bereide blokken trachtte te doen splijten, of er stukken af te nemen, of er pennen in te slaan, geloofde, dat de weerstand grooter was dan bij maagdelijk hout. Kleine spijkers, die men in het binnenste van het hout vond, waren ongeschonden en vrij van roest, eene gunstige omstandigheid, die bijzondere melding verdient.
      Welke ook de soort van het hout zij, de verrotting, hetzij droog (vervuring), neemt snel toe en ver in de richting van den groei, terwijl hare vorderingen zeer langzaam en gering zijn in den zin der stralen van de jaarkringen; soms zijn de kopeinden der dwarsliggers verrot, terwijl de buitenste oppervlakte nog zoo goed als ongeschonden is.
      De heer Frederik Kuhlmann (Comptes rendus des séances de l’Académie des Sciences de Paris, Tome LVI, Juin 1863, p. 1066) heeft de aandacht gevestigd op het gebruik van teer voor het behoud van alle bouwstoffen.
      Deze geleerde heeft o. a. doen zien, dat teer en beter nog pek, stearinzuur enz. het water in pleister kunnen vervangen, en dat de uitwerking zulk een innigen samenhang geeft, dat ontbindende stoffen, zooals ether, benzine enz., slechts met moeite het pek van de pleisterkristallen wegnemen.
      De hitte, aangewend bij het doordringen van bouwstoffen op de door den heer Melsens voorgestelde wijze, schijnt iets overeenkomstigs teweeg te brengen, want de heer Rottier heeft door ether geen spaanders of krullen kunnen ontkleuren, welke op die wijze bereid waren. Zij behielden eene donkerbruine kleur en het microscoop toonde aan, dat de vezelstof der plantencellen teerkleurig was en bleef.
      De Belgische Annales des Travaux publics, T. XIX en T. XX, behelzen twee belangrijke nota’s van den ingenieur Crépin over het bewaren van hout, dat aan zeewater is blootgesteld. Deel XIX bevat ook eene nota van een ongenoemde over den paalworm.
      Zoo ook al, volgens den scheikundige Dumas, het bewaren van het hout een der belangrijkste vraagstukken is, is het toch nog ver verwijderd van zijne oplossing. Een balk moest even lang weerstand bieden als een mummie.
      R., 30 Nov. 1872.


R. v. E.


(Wordt vervolgd.)