Hoofdmenu openen

Sicco Ernst Willem Roorda van Eysinga/Staatsspoorwegen op Java

Staatsspoorwegen op Java
Auteur(s) S.E.W. Roorda van Eijsinga
Datum Zaterdag 2 maart 1872
Titel Staatsspoorwegen op Java
Tijdschrift De Opmerker
Jg, nr, pg 7, 9, [1-2]
Opmerkingen Pieter Philip van Bosse vermeld als van Bosse, James Loudon als Loudon, Thomas Joannes Stieltjes Sr. als Stieltjes, Jan Jacob Rochussen als Rochussen, Johan Rudolf Thorbecke als Thorbecke; Rectificatie
Brontaal Nederlands
Bron [1], [2]
Auteursrecht Publiek domein

[1]


[...]


STAATSSPOORWEGEN OP JAVA.


      Vóór eenige weken behelsden enkele bladen het bericht, dat de overneming van al de Engelsche particuliere spoorwegen door den Staat een der eerste onderwerpen zoude zijn, waarmede het Britsche Parlement zich in zijne nieuwe zitting zou bezighouden. Zij, die verwachten, dat deze veelbeteekende verandering in de wetgeving van een volk, zoo gehecht aan zelfbestuur, zoo afkeerig van regeeringszorg, de doctrinaire staatshuishoudkundigen ten ontzent tot nadenken en de »liberale” bankiers bescheidenheid zou bewegen, alvorens het in het hoofd van dit opstel bedoelde wetsontwerp te bestrijden, rekenden buiten het begrip van goede trouw onzer meeste toonvoerders. Deze volgden hunnen gewone tactiek: doodzwijgen van de tegenpartij. Hun schelst klinkende betooggrond was een verwijt tegen de wispelturigheid van den minister van Bosse en diens nieuwe »economische ketterij.” Het Handelsblad, dat ons wel weet te vinden als wij schrijven over oxhydrisch licht of andere onderwerpen, die in zijne kraam te pas komen, bewaarde nu eene echt Amsterdamsch-patricische bankiers-voornaamheid; de Nieuwe Rotterdamsche Courant bleef eveneens trouw aan hare bekende onpartijdigheid. In het eerste van die twee organen roerde zekere V de trom.
      Beginnen wij met het hoofdpunt, het wetenschappelijke. V. heeft den mond vol van de »oppervlakkigheid der Indische pers, die hij gelijkstelt met de Fransche, behalve wat hare eerlijkheid en oprechtheid betreft. Het laatste is waar en zij kan in die deugden V. tot toonbeeld strekken, die daarenboven veel oppervlakkiger is dan zij, want hij schermt veel met zoogenaamde staatshuishoudkundige beginselen, maar rept in het geheel niet van Jules Duval, John Stuart Mill, Macculloch, Samuel Smiles, Daily News en anderen, die een beginsel bepleiten, lijnrecht tegenovergesteld aan het zijne; waarom hunne betoogen niet ontzenuwd, of zijn dit allen soms ketters? Wij zullen niet herkauwen, wat wij reeds in dit blad daarover hebben opgedischt. Zou V. waarlijk nooit gelezen of nagedacht hebben over »natuurlijke monopoliën?” De eenvoudigste mensch begrijpt, zonder ooit van Adam Smith of Say gehoord te hebben, dat een bestuur aan ieder vrijheid kan laten tot het oprichten b.v. van een bakkerij, een sigarenwinkel, of iets dergelijks. Hoe meer verkoopers er zijn, hoe meer de verbruiker, dus de meerderheid, gebaat wordt. Maar als het verlof heeft gegeven tot het leggen van sporen voor stoomwagens of omnibussen, van buizen tot gasverlichting, van een ketting tot het sleepen van vaartuigen, heeft het een monopolie verleend, dat niet beheerscht kan worden door hetzelfde beginsel als die bakkerij en sigarenwinkel. Zie overigens mijn opstel in dit Weekblad over Stévart’s verhandeling.
      Het is met deze onvermijdelijke monopoliën eenigszins gelegen als met enkele feodale of souvereine rechten, b. v. het recht op arbeid of heerendiensten. Zulke rechten kunnen niet onderworpen zijn aan hetzelfde beginsel als de vrije arbeid, en zijn dan ook beter toevertrouwd aan eene Regeering dan aan particulieren.
      Een hoofdargument voor straataanleg op Java is de verplichting, de Javanen zoo goedkoop mogelijk te laten reizen. In De Opmerker behoort de uiteenzetting hiervan niet te huis. Bovendien leverde ik ze in het Algemeen Volksblad voor Nederland. Maar het is opmerkelijk, dat organen, die altijd zoo hoog opgaven van hunne Javanen-liefde, er overheen stappen.
      Dat de minister van Bosse zijne inzichten gewijzigd heeft, doet niets ter zake. Deed hij het uit overtuiging, zoo verdient hij lof. Weet hij het niet te verdedigen, zoo kan zijne zwakheid geen afbreuk doen aan de kracht van eene goede stelling. Ook ik was vroeger voorstander van aanleg door particulieren, maar ben veranderd door lezen en nadenken, en heb van die verandering rekenschap gegeven in redeneeringen, die men slechts behoeft te wederleggen. Maar zooals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten. Vermoedelijk zal men mompelen, dat ik zelf gaarne weder rijks-ingenieur op Java zoude worden. Ziehier mijn antwoord: zoo de landvoogd Loudon mij tot zulk eene betrekking benoemde, zou ik ze aannemen uit plichtsbesef, uit trouw aan mijne geschriften, maar in ’t belang van mijne twee jongste kinderen en van andere nauwe betrekkingen blijf ik liever hier. Is ’t nu duidelijk genoeg?
      In ons kerkelijk land kon men er op voorbereidzijn, dat V. in de spoorwegzaak autoriteitsgeloof zou doen gelden. »Alle deskundigen”, zoo spreekt hij, »zijn het eens,” enz. En wie worden nu, God beter ’t! als deskundigen bijeengeschommeld? Naast een Stieltjes, voor wiens oordeel en kennis ook ik diepen eerbied heb, personen, die de spoorwegtoekomst op Java zooveel mogelijk bedorven hebben en zeer verwonderd moeten zijn genoemd te worden naast den man, dien zij altijd laaghartig hebben bestreden en vervolgd. Zoo gaat het altijd. Toen Stieltjes uit de handen van een behoudsgezind minister, den heer Rochussen, den lastbrief aannam, waarin hem de schoone taak werd opgedragen Java met de weldaad van spoorwegen te bedeelen, heette de heer Thorbecke in de Kamer zoowel hem als den heer Dixon een »zoogenaamd deskundige.” Wat de heer Dixon gebleken is te zijn, weet ieder. Al zijne adviezen werden door den Raad van Indië gelijkgesteld met »scheurpapier.” En die zelfde Dixon wordt nu door V. met een van de Putte, een Sloet en dergelijke verknoeiers van de Indische spoorwegzaak tot een deskundige verheven! Op zulke kwade trouw behoef ik niet te antwoorden. Welk vertrouwen kan men stellen in een verklaring van lieden, die, uit persoonlijke beweegredenen, den Koning belagen, wien zij tot raadsman dienden; de Volksvertegenwoordiging misleidden, aan wie zij, volgens de wet, verantwoording schuldig waren; stukken verminkten of verduisterden, die zij, volgens hunnen eed, verplicht waren ongeschonden over te leggen, en valschheid in geschrifte pleegden, gelijk reeds in de kolommen van De Opmerker en elders vermeld is? En waarom zwijgt men over de goedkeuring van het ontwerp door de Javasche Kamer van Koophandel? Zijn al hare leden onkundigen, onbevoegden, ketters? Alleen de meening van Stieltjes heeft alle aanspraak op wederlegging. In elk opzicht buig ik het hoofd voor hem als ingenieur, maar ik heb één voordeel boven hem en de hierboven genoemde »deskundigen”, en dat voordeel is groot. Ik heb op Java meer dan eens, als landsdienaar, met duizenden vrijwillige inlanders gearbeid – zij nooit. Te recht klaagde hij over den tragen voortgang der Rijkswerken, maar verscheidene oorzaken, die door een krachtig en verplicht bestuur zeer wel zijn op te ruimen, droegen daartoe bij, zooals: de heerendiensten, geheime tegenwerking van ambtenaren bij het binnenlandsch bestuur, die liever zelven het bouwdepartement beheerden, omslachtige comptabiliteits-verordeningen, ongeschiktheid tot omgang met den inboorling, enz.
      Ik zou kunnen wijzen op twee feiten uit mijne loopbaan, reeds vermeld in Het Noorden en in de brochure: Mijne Verbanning en mijn Vloekzang, waaruit blijkt, dat ik evenmin in het ontvolkte Grobogan als op de kleine Delta Mengarej gebrek aan arbeiders had. Duizenden stroomden toe van heinde en verre. Waarom? Omdat ik hen billijk bejegende en op taak deed werken. En waar kan men beter op taak arbeiden dan bij de aardebaan van een spoorweg? Men bedenke daarbij wel, dat ik over die duizenden handen kon beschikken, ondanks de heerendiensten, die in de eerste plaats afkoopbaar behooren te worden gesteld.
      Eene andere oorzaak van tragen voortgang der vroegere werken op Java lag in het feit, dat de arbeid niet betaald werd. Maar zouden onze polderjongens de handen uit de mouw steken, als men hen twaalf uren buiten liet staan zonder voedsel en loon?
      Zoo men echter de bestaande hinderpalen opruimt, is er geene enkele reden om aan te nemen, dat een kwartje, door een Rijks-ingenieur den Javaan uitgekeerd, hem minder welkom zal zijn dan een kwartje van een particulier.
      Het is zeer wel mogelijk, dat men eene enkele maal stuiten zal op gebrek aan lust tot vrijwilligen arbeid. De Javaan is er te veel aan gewend geworden te leunen op bevelen. Een knaap, die twaalf jaren aan den leiband heeft geloopen, zal zijne beenen minder gaarne in beweging brengen dan een ander, die reeds in zijn tweede jaar over den vloer kroop. In Mei 1869 wachtten zelfs de gegoede Parijzenaren, door Napoleon’s centralisatie-geest verlamd, op eene lastgeving van de Regeering tot zelfverdediging tegen de standjesmakers in witte kielen. Maar bij gebrek aan handen, heeft juist de Regeering meer hulpbronnen dan eene maatschappij. Zij kan b. v. soms de doodetende soldaten aan het werk zetten, een maatregel, aanbevolen door Michel Chevalier in zijn Cours d’économie politique, en volgens hem in enkele legers toegepast. Of is deze ook al een ketter? Men geve hun eene bepaalde dagtaak en extra-soldij.
      In No. 11 der Mélanges Militaires (Parijs, bij Ch. Tanera, 1871) vindt men eene uit het Oostenrijksche Militaire Tijdschrift overgenome studie omtrent de Organisation de l’armée suédoise, waarin men leest: Le soldat suédois peut-être employé par le gouvernement à des travaux d’utilité publique, pour lesquels il touche une deuxième paye. Le canal de Göta, si important pour la navigation intérieure de la Suède [volgens Brockhaus Lexikon in 1868 begonnen], la forteresse de Carlsbours sur les bords de la mer [? du lac] des Tempêtes [Karlsbord toch is, volgens Brockhaus, eene centraal-vesting], l’amélioration des routes existantes et la construction des voies nouvelles, sont dûs en grande partie


[2]


aux soldats. Sinds ten minste dertig jaren schijnt men zich dus in Zweden bij dit »onpractische” middel zeer wel te bevinden. Zou men op Java althans de »strategische” lijnen niet door de »vechthelden” kunnen doen aanleggen?
      »Weest niet bang voor buitenlandsch geld; het zal u niet bijten”, zegt V. Zoo zeg ik: »weest niet bang voor buitenlandsche ingenieurs; zij zullen u niet krabben.” Vreest gij de bespieding van de Duitschers, neemt dan Engelschen, Belgen enz. Benoemt hen tot tijdelijke ambtenaren, dan behoeft gij uw ingenieurskorps niet »blijven uit te breiden”, wat V. te recht niet wil.
      Het is opmerkelijk, dat niet alleen in Groot-Britannië, maar ook in Britsch-Indië de Staat de spoorwegen aan zich trekt. Men roemt zeer de vorderingen, hier door maatschappijen gemaakt. Maar onder welke omstandigheden? De Regeering waarborgde rente, onverschillig hoe hoog de uitgaven stegen. Op zulk een kwistigen grondslag zou men zelfs kapitaal van Nederlandsche »liberale” bankiers kunnen krijgen voor eene baan door de Sahara-woestijn. Maar hoe zouden de belastingschuldigen er bij varen?
      Werkelijk is vroeger in het »liberale” Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië voorgesteld geworden dit voorbeeld te volgen. Of de heer van de Putte en dergelijke »liberalen” hunne stem aan het wetsontwerp onthouden, gelijk V. dreigt, is hunne zaak. Het zoude niet de eerste maal zijn, dat de Javanen door hen verraden werden.
      Men wijst ook op de moederlandsche Staatsbanen, die veel weelderiger en rijker gebouwd zijn dan aanvankelijk bedoeld werd, en vreest, dat het op Java eveneens zal gaan. Ongegronde vrees! Het geld, voor moederlandsche banen weggeworpen, werd aan de Javanen ontnomen, maar het geld, voor Javasche banen te besteden, wordt aan de Javanen gegeven, en bijgevolg aan het moederland zooveel minder uitgekeerd. Men kan dus op dit punt gerust zijn.
      Brussel, 24 Febr. ’72.


S. E. W. ROORDA VAN EIJSINGA.


      P. S. Zooeven lees ik in Le Temps van heden een betoog, met uittreksels der argumenten van den Times en Londenschen Spectator, geheel in den geest van Staatsaanleg. Trouwhartige, eerlijke, onomkoopbare hoogepriesters der openbare meening in Nederland, zwijgt het dood!