Theo van Doesburg/De taak der nieuwe architectuur/1

De taak der nieuwe architectuur

Auteur Theo van Doesburg
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Datering in Bouwkudig Weekblad, 41e jaargang, nummer 50 (11 december 1920): pp. 278-280.
Bron Architectuurtijdschriften - Bibliotheek TU Delft 1

en 2

Auteursrecht Publiek domein

DE TAAK DER NIEUWE ARCHITECTUUR

(naar aanleiding van „Schoonheid in Samenleving” door DR. H. P. BERLAGE. W. L. & J. Brusse's Uitgevers-Maatschappij. Rotterdam).

DOOR THEO VAN DOESBURGH.

                                                      

      „De plus en plus les constructions industrielles, les machines s'établissent avec des proportions, des jeux de volumes et de matières tels que beaucoup d'entre elles sont de véritables oeuvres d'art, car elles comportent le nombre, c'est-à-dire l'ordre. Or, les individus d'élite, qui composent le monde de l'industrie et des affaires et qui vivent par conséquent dans cette atmosphère virile où se créent des oeuvres indéniablement belles, se figurent être fort éloignés de toute activité esthétique; ils ont tout, car ils sont parmi les plus actifs créateurs l'esthétique contemporaine”.

  (L'Esthétique mécanique. L'Esprit nouveau. N0. 1. 1920.)

      Wanneer er van een opkomende stijleenheid gesproken kan worden, dan moet deze zich in de verscheidenheid der productie openbaren. Want, openbaart zich het bewustzijn en verlangen naar een collectieve uitdrukkingswijze ook al in enkele kunstenaars, deze staan met hun werk te apart om een uitgebreiden invloed op de algemeene productie, op de industrie uit te oefenen. Het dient gezegd: de cultureele beteekenis van een gemeenschappelijk streven hangt af van de noodzakelijkheid en niet van de opzettelijkheid. Daarom zal de nieuwe geest zich het zuiverst, d. i. het minst opzettelijk, manifesteeren in de wereld der industrie, die door den nieuwen geest gedreven, haar eigen mechanische aesthetiek geschapen heeft. De eenzijdige idealisten zullen hierin misschien aanleiding vinden tot verzet, omdat zij de idealiteit slechts geopenbaard willen zien door eenig geestelijk procedé b.v. het symbool. Maar ook dit is weer een idealiteit en geen realiteit en wat de moderne tijd dwingend


[p. 279]

[...]

naar voren heeft gebracht, — in alle takken en vakken — dat is: het realiseeren der idealiteit (hetzij als schoonheid of iets anders) door alle dualiteit ten eenemale op te heffen. Door zoowel de idealiteit in de materie als de materie in de idealiteit om te zetten.
      Zoo ontstaat de eenheid, de stijl van den nieuwen tijd. Daarom zijn de Amerikaansche ingenieurs, die de moderne fabrieken en silo's construeeren van meer en richtinggevender beteekenis dan de zich vóór alles en ondanks alles kunstenaar-voelende architecten, waartoe ik ook Dr. H. P. Berlage reken.
      Zoudt gij soms denken, dat de Amerikaansche constructeurs, die het bedrijf mathematiseeren, zich ook nog maar eenigszins verwant voelen aan de geheel verouderde dialectische systemen van Kant, Schopenhauer, Fichte, Hegel enz ?
      Zoudt gij soms denken dat een dezer denksystemen toereikend is om een inzicht te geven in den geest der nieuweren tijden? Het hemediteeren en kunstig vervlechten van deze systemen, waarbij het op den duur op het denken en niet op de intensiteit van het denken aankomt, is op zichzelf misschien een zeer mooie bezigheid, maar het kan het bepalen van de nieuwe schoonheid in onze samenleving slechts verhinderen. Een samenvatting van wat schoon is en onze moderne samenleving met al hare contrasten, is dan ook in Dr. Berlage's werk nergens te vinden. Alles wat hierin, niet zonder vooroordeel en pretentie, gezegd wordt staat in verband met een levenshouding die door de nieuwere tijden overwonnen is.
      Deze levenshouding zou ik de „pittoresque” willen noemen, een levenshouding waarbij de „natuur” de maatstaf is voor de producten van den menschelijken geest. Vandaar dat als de synthese van het natuurlijk gevoel het symbool wordt verheerlijkt. Dit komt ten duidelijkste uit in de beschrijving van het „Pantheon der Menschheid” waarin de schrijver een der hoogste uitdrukkingsvormen ziet der door hem geponeerde symbolische bouwkunst. Dit is de bouwkunst in al hare opzettelijkheid, de bouwkunst waaraan geen nekele functioneele noodzaak ten grondslag ligt, de onmaatschappelijke bouwkunst, die zich in dienst der overpeinzing stelt, iets wat geheel overeenkomt met de roomsch-katholieke levensaanvoeling van den schrijver. Hoe het verlangen naar een symbolische handeling in het „godshuis”, — volgens Dr. Berlage kan de bouwkunst zich slechts in het „godshuis vergeestelijken, — hoe het terugverlangen naar een bezield „godshuis” te rijmen is met de verwerkelijking van „de godsdienstige idee” in en door het leven zelf, blijft voor den lezer verborgen.

      Daar het tot het fundamenteele der nieuwere tijden behoort, het abstracte, het bovenzinnelijke in de realiteit om te zetten, niet te verzinnebeelden, maar te beelden, spreekt het van zelf, dat het „godshuis” geen zin meer heeft.
      Bij een meer reëele beleving der hoogste idealiteit, is onze levenskracht het eenige apparaat waarmee wij, zoowel door geestelijke als materieele productie het Pantheon der menschheid optrekken. Dit zal dan niet zijn de zinnebeeldige uitdrukking van een


[p. 280]

door ons zelf geschapen godheid (vergelijk blz. 132 en 157) of van eene onze levenskracht symboliseerende „godsidee” maar de onopzettelijke realiseering van onze volkomen, geestelijk-materieele, activiteit.
In Dr. Berlage's werk groeit het heele architectonische procédé uit een symbolische, door en door roomsch-katholieke opvatting van de Ruimte. Vandaar dat deze in den „tempel” tot haar hoogste plastische uitdrukking komt. Hoe geheel tegenover gesteld is dit aan de belangelooze ruimteplastiek der moderne tijden. Immers, uit de open ruimten van onze pleinen, uit de realiseering van de ruimte als abstract bewegingsmoment, in de moderne machinerieën spreekt een geheel andere geest. een veel frisscher levensgevoel dan uit de doode ruimtesymboliek, ontstaan uit verouderde godsdienstige dogma's. Maar Dr. Berlage betreurt het, dat het ruimte-symbool reeds in het protes-
„tantsche kerkgebouw verloren gaat. Zoo lezen wij op blz. 112: „De godsdienstige idee wint met de Renaissance als algemeenheid haar kracht niet meer terug. Wel
„laat deze idee op in het protestantisme, maar slechts als nationale verbizondering,
„terwijl deze leer, krachtens haar drang naar verinnerlijking, ook de vrijheid laat aan
„de persoonlijke opvatting van het godsbegrip, „Het protestantisme heeft dan ook geen
„groote bouwkunst voortgebracht” 1), waardoor de ruimte van het protestantsche kerk-
„gebouw de verhevenheid van het eigenlijke godshuis mist. Bovendien is in het protes-
„tantsche kerkgebouw het altaar, de heilige plaats waar het offer wordt gebracht,
„verdwenen. Een ruimte als waar in den Egyptischen tempel het allerheiligst werd
„bewaard en welke ruimte de cella van den Griekschen tempel zelf is, een ruimte zooals
„de bewaarplaats van den Talmud in de synagoge, of wel als de nis voor den Koran in
„de moskee en eindelijk als het koor der Christelijke kerk, bestaat in het protestantsche
„kerkgebouw niet. Het protestantisme kent niet het eigenlijke symbool, de verzinne-
„lijking van het bovenzinnelijke. Zou nu niet juist door de afwezigheid van een sym-
„bolische plaats in het kerkgebouw, de ruimte aan verhevenheid inboeten? Want
„daardoor werd het protestantsche kerkgebouw het vereenigingsgebouw voor een gods-
„dienstige bijeenkomst, maar zonder symbolische handeling, dus zonder een handeling
„welke door de heiligheid der idee de menigte moet bezielen”.

      Wanneer men dit gelezen heeft slaat men de handen ineen, hoe het mogelijk is dat iets dergelijks zonder ironie, maar in vollen ernst kan worden neergeschreven.
      Dat het protestantisme het symbool niet kent, is juist wat het protestantisme karakteriseert. In wezen bedoelde het protestantisme, het protest tegen het symbool en als zoodanig was het de eerste schrede in de richting van de bevrijding van de zinnebeeldige voorstelling van alle tweeheid (vereenigd in het kruis), de eerste stap in de richting van de verovering van de religieuze grondwaarheid op het leven zelf, de eerste stap in de richting eener nieuwe, door en door gezonde experimenteele levensreligie. In deze laatste wordt de mensch zelf het reëele beeld waaraan, waarin en waardoor zich de idealiteit voltrekt. De opheffing van de gescheidenheid van geestelijk en natuurlijk leven, de beleving van het eerste in het laatste, is iets wat zich zonder de christelijke verdieping (het z.g.n. Protestantisme) nooit had kunnen verwerkelijken.
      Miste het protestantsche kerkgebouw al de zinnebeeldige ruimte (iets wat Dr. Berlage, voor wien het geestelijke nog iets apart is, weer terugbegeert), het ruimtegevoel had zich naar buiten, en het individu (als geestelijke verruiming en als meer directe beleving der religieuze grondwaarheid) verlegd. En daar dit beteekende de verovering van een nieuwe levensafmeting, spreekt het vanzelf, dat de kunst zich vrij maakte van het dwingend gezag der „godsidee” en de symbolische uitdrukking daarvan.

(Wordt vervolgd.)

——————
      1) Henriette Roland Holst. In Berlage's boek, 163 blz. druks, staan niet minder dan 164 citaten, voorwaar een heele bloemlezing uitspraken van officieele reputaties, waarmee de schrijver zijn beweringen wil staven en kracht bijzetten.