Theo van Doesburg/Schilderkunst/Van Kompositie tot contra-kompositie

Schilderkunst. Van Kompositie tot contra-kompositie.

Auteur Théo van Doesburg
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Datering 1926
Bron De Stijl. [deel] 2. 1921_1932. Complete Reprint 1968. Amsterdam: Athenaeum, Den Haag: Bert Bakker, Amsterdam: Polak & Van Gennep, 1968, p. 473-478.
Auteursrecht Publiek domein

[17]

SCHILDERKUNST

THÉO VAN DOESBURG

Van Kompositie tot contra-kompositie.

Memorandum 1926. — In 1912 publiceerde ik, onder den titel: « Proeve tot een nieuwe kunstkritiek », mijn eerste opstellen over de nieuwe kunst. Ik poogde eigen ontwikkeling, zoo objectief mogelijk aan de algemeene ontwikkeling der kunst te toetsen en kwam tot de erkenning van het universeele als nieuwe inhoud en het rechte als het nieuwe, toekomstige uitdrukkingsmiddel. Deze twee elementen moesten m. i. tot een nieuwen stijl voeren.
Ik sloot deze periode af met een abstracte, uit den naturalistischen vorm geabstraheerde, kompositie. (« Meisje met ranonkels »). In 1916, uit militairen dienst los gelaten, richtte ik, niet zonder enthousiasme, DE STIJL op. Had de oorlog het niet verhinderd, dan had ik « De Stijl » reeds in 1914 begonnen, want ik ving in 1916, met m’n werk en inzichten (die zich door dit intermezzo, wellicht gezuiverd en verscherpt hadden) daar aan, waar ik in 1914 gebleven was. — In een artikel, « Van Natuur tot Kompositie », (hetwelk in 1918 in « De Hollandsche Revue » verscheen) trok ik mijn inzichten in een reeks van beelden, — abstraheeringen van een sujet, — samen en toonde aan, hoe ik van natuurkompositie tot schilderkunstige kompositie gekomen was.
Met dit resultaat (een compositie uit dissonanten samengesteld) sloot ik die periode af.
Bij het neerschrijven van den titel voor dit artikel, leek het mij gewenscht het voorgaande te memoreeren, aangezien dit artikel als vervolg van « Van Natuur tot Kompositie », zou kunnen dienen.
Met de wit-zwart-grijs-kompositie in dit nummer afgebeeld, sloot ik in 1924 de periode der, thans, m.i. kassiek-abstracte, Kompositie, af.

Parijs, 1926. DOESBURG.
17


[18]

I

Het begrip « CONTRA-KOMPOSITIE » is niet gewild maar ontstaan. En niet toevallig of willekeurig. Het duidt een phase van werken en beeldend denken (of: zien) aan, die a posteriori verklaarbaar is.

                                                       In zooverre het schilderen-zelf een vorm van denken, van beeldend denken of van zien is, is elke verklaring overbodig, zal men zeggen. Terecht, doch de verklaring a posteriori) (wat dus theoretiseeren uitsluit !) kan dit zien te gemoet komen. De tijd is voorbij, waarin de schilder, architect of komponist, niet dacht tijdens het produceeren of niet leefde tijdens het denken.

Eenerzijds stelt het begrip « contra-kompositie zich tegenover het klassieke, zij het dan ook « abstracte » kompositie — en beeldingsbegrip.
Anderzijds stelt het zich tegenover de fundamenteele alom domineerende struktuurelementen der natuur en der architectuur.
Natuurlijk waren deze laatste van belang voor de ontwikkeling... doch de mensch komt eerst lat tot zichzelf en tot zijn eigen tijd. Het is onze tijd die de behoefte aan het contrast voortbracht. Dit laatste werd niet slechts in den uiterlijke verschijning van kleur — en materiebeelding gerealiseerd, maar ook en wel voornamelijk in het levenstempo en in de techniek der dagelijksche, mechanische levensfunctie: in het staan, het gaan, het rijden, het liggen, zitten — enfin in alles wat den inhoud der architectuur uitmaakt.
De verticale wanden onzer woning, de horizontale vlakken van plafond en vloer en de horizontale en verticale intervalsvlakken: tafel, stoel, kast, bed, enz. bewijzen dit genoegzaam. Deze bewegingen, voor zoo ver ze betrekking hadden op de industrie, zijn thans door de machines overgenomen.
Kortom: in horizontaal verticale richting voeren wij onze physische bewegingen uit.
Door de voortdurende herhaling dezer natuurlijke bewe-

18


[19]

Fig. 1


Théo Van DOESBURG
Stilleven 1906.

19


[20]

Théo Van DOESBURG
Kompositie op zwarten fond
1916


Fig. 2

20


[21/22]

[vertikaal]


Théo Van DOESBURG
Kompositie in wit zwart en grijs
1924

21/22


[23]

gingen zijn deze min of meer mechanisch geworden. Het instrict heeft zich gemechaniseerd. Onze geest heeft daaraan part noch deel. Onze geest, in zooverre hij niet met ons physiek leven verstard is, verzet zich tegen deze natuurlijke « mechaniek » en neemt een totaal andere afmeting in .
In alles wat ons omringt vertoont zich de fundamenteele polariteit der natuurlijke structuur van horizontaal en verticaal. In onze woning en in de stad, meer elementair wellicht dan in het bosch en in het landschap, doch overal, meer of minder gespannen, deze natuurlijke dualiteit.
Onze voorouders drukten deze, in al hunne voortbreng selen evenzeer uit als wij, zij het dan ook figuurlijk in « Standbein » und « Spielbein » of, symbolisch in het kruis. Alle klassieke constructies (steun en last) berusten hierop.
H.V. is de fundamenteele inhoud der physieke, reeële en optische natuur. In beelding dezer beide, door evenwicht tot eenheid te brengen was het klassieke kunstbeginsel, doch dit laatste bleek ontoereikend tot uitdrukking van den modernen geest, zich kenmerkend door de behoefte aan scherpste tegen-stelling van natuur, physische structuur en van elke symbolistische verromantiseering daarvan.

(zie Fig. 1)

Daar onze physische levensfunctie zich in H. V. afspeelt, ligt het voor de hand, dat, zoolang deze functie nog niet door machines is overgenomen die architectuur de beste is welke zich geheel op H.V. baseert.

II

Ofschoon er wel geen objectieve en absolute wetten, onafhankelijk van een steeds zich verdiepende en zich wijzigende zienswijze, bestaan (ja, die, indien ze bestonden tot dogmatische verstarring zouden moeten leiden) — geen fundamenteele, objectieve waarheden, geen waarheid überhaupt, is toch het soortelijk gewicht van onzen geest berekenbaar geworden.

23


[24]

Was het optisch zien niet in een meer-dan-zintuigelijk, in een boven-zintuigelijk zien veranderd, dan zou onze tijd nooit den moed opgeleverd hebben geest in de materie te zien. Er zou geen essentieel onderscheid bestaan tusschen een schilderij van Picasso (uit zijn zgn. « Abstracte » periode) en een schilderij van Paulus Potter of tusschen een laatste plastiek van Brancusi (plastique pour aveugles) en een fopei uit een bazar.
De natuur heeft zich niet, onafhankelijk van ons veranderd, doch wij hebben ons steeds anders van haar bediend.
Ware dit niet zoo, dan zouden de natuurkrachten zich niet — dank zij den menschelijken geest — in mechanische en imponderabiele krachten hebben omgezet. Hetzelfde geldt voor de individueele, organische levensfunctie. Wij zijn er van overtuigd, dat het een kenmerk van « hoogere beschaving » is, wanneer deze organische functies zich in mechanische hebben omgezet en wij verachten al min of meer degenen, die in volledige natuurlijkheid, organisch functioneeren. Deze verachting grondt zich voornamelijk op dit volkomen één zijn met de organische natuur, wat wij in den « natuurlijken » mensch missen is: oppositie, contrast, verzet, strijd, met een woord — geest.
Zonder in middeneeuwsch Stoïcisme, aan het natuurlijke te kort willen doen, ZIEN wij, dat de menschelijke geest van een totaal andere structuur is en dat in het generale aspect der LEVENSTECHNIEK (vroeger « drama » geheeten) de natuur nog slechts als contrast als tegenstand (en niet als tegendeel) van den geest te gelden heeft.
Een aeroplaanvlucht kan u er reeds van overtuigen, hoe groot het verschil in methode is tusschen natuur en menschelijken geest, wanneer ge met elkaar vergelijkt, LANDSCHAP en STAD. Overal waar, zooals in laatstgenoemde de menschelijk geest heeft ingegrepen, heerscht een totaal andere orde, gebaseerd op totaal andere wetten, zich uitend in totaal anderen vorm, kleur, lijn en spanning.
Zoo, zooals de stad zich verhoudt tot het landschap, even zoo constrasteerend, evenzoo vijandig verhoudt zich de structuur van den menschelijken geest tot die van de natuur.

24


[25]

De geest is de natuurlijke vijand van de natuur (hoe paradoxaal het ook klinkt), zonder dat hier van een dualisme sprake behoeft te zijn.
De afstand die ligt tusschen het suizen van den wind, het ruischen van het water en de electrische neger-jazzband, wordt ingenomen door den menschelijken geest .

III

Wat ik onder geest versta, is zeer verschillend van dat wat onze voorouders daaronder verstaan hebben of hetgeen nog heden de moderne tooverheksen, kaartlegsters en theosofen daaronder verstaan).
Door de vertraditionaliseering der uitdrukkingen heeft het woord geest (als het superieure beginsel in den mensch) zijn beteekenis en daardoor zijn uitdrukkingskracht verloren. Het is daarom moeilijk datgene te omschrijven, wat zich beeldend onmiddelijk openbaart. Indien de spanning tusschen de uitersten van ons bewustzijn als b. v. die van natuur-geest door een, betrekkelijk, beeldend evenwicht geneutraliseerd wordt, zoo ontstaat toch uit drang tot evolutie de behoefte, om ten opzichte van dit evenwicht, een nieuw punt in te nemen. Ware dit niet zoo, dan zou de geest zich in het bereikte evenwicht verstarren, dit zou dan (om nu eens met Roland Holst te spreken) het doode punt zijn. Onverschillig wat onder dit evenwicht verstaan wordt: een nieuwe cultuur, een nieuwe constructie een nieuwe religie of een nieuwe levensverhouding indien het slechts om dit evenwicht te doen ware, zoo zou alles daarin zijn samengevat en bereikt wat de menschelijke geest zou kunnen voortbrengen. Dit evenwicht als nieuwe cultuur zou geen verdere evolutie meer toelaten. Ware dit evenwicht een nieuwe constructie of beelding, zij zou noch te verbeteren noch te ontwikkelen zijn. Het bereikte evenwicht zou in dit geval absoluut, inplaats van relatief, stabiel inplaats van labiel zijn; het zou eeuwig en onveranderlijk zijn.
Zooiets is natuurlijk onmogelijk en toch hoe onzinnig het

25


[26]

ook is, berusten hierop alle tradities, alle dogma’s, welke door het vaste geloof aan de onveranderlijkheid harer beginselen, formeel werden en ten slotte verstierven.
De drang tot evolutie en de daartoe noodzakelijke verstoring van het reeds bereikte evenwicht (revolutie), heerlijkste en onuitroeibare eigenschap van den menschelijken geest, beschikt het echter anders.
Zooals de zucht naar verrijking van ons ruimte-begrip, door middel van de mathematica, ons voorstellingsvermogen (intuitie of bewustzijn) steeds met een nieuwe dimensie verrijkt door steeds een nieuwe richting ten opzichte der reeds bekende afmeting in te nemen, evenzoo heeft de drang naar verrijking van ons beeldingsbegrip ons bewustzijn toegankelijk gemaakt voor een nieuwe POLARITEIT, echter op een geheel ander, hooger plan dan de voorgaande, klassieke tusschen natuur en geest.
Zien wij het daaraan voorafgaande principe van evenwichtige verhouding, als het uitnemende résumé van het klassieke kunstbeginsel, zoo is het begrijpelijk, dat deze nieuwe polariteit gevormd wordt door de eenheid natuur-geest met als tegenpool het nieuwe superieure levensbeginsel.
Met onderstaande schematische voorstelling van het steeds zich verschuivende evenwicht, zal men de lijn van evolutie, zooals die hierboven bedoeld is, gemakkelijker kunnen volgen (zie Fig. II).

IV

De bovenstaande overwegingen, willen niet meer zijn dan min of meer onnauwkeurige aanduidingen van datgene wat zich beeldend door het schuine (ten opzichten der natuurlijke en architectonische structuur) onmiddelbaar uitdrukt. Het nieuwe schilderen kan als geestelijk uitdrukkingsprocédé nog slechts beteekenis hebben, in zooverre het de organisch-natuurlijke en architectonische structuur tegenstelt, inplaats van daarmede homogeen te gaan. Deze homogeniteit nu drukte zich door het uitsluitend H. V. bepaalde schil-

26


[27]

derij in de H. V. bepaalde constructie der architectuur uit. De eerste prononceerde de laatste. De uitbreiding van kleurvlak en lijn was in dezelfde richting der natuurlijke en gebondene architectonische structuur. (Zie Fig. III en IV . waarin de gesptreepte balken de natuurlijke of architectonische structuur gebaseerd op H.V., de zwarte lijnen de structuur van de klassiek-abstracte schilderij voorstellen). Bij het contrast-schilderij, (contra-compositie) is deze uitbreiding van kleurvlak en lijn tegen de natuurlijke en architectonische structuur in, d.w.z. met deze laatste in contrast.
Deze beide uiterste mogelijkheden bieden een groot aantal nevenmogelijkheden. Beeldende intuitie, gecontrôleerd door wetenschappelijk inzicht—ziedaar wat den nieuwen mensch noodzakelijk is.
In hoeverre op dit nieuwe niveau van arbeid, techniek en methode veranderen, zal ik in een volgend artikel behandelen. Ook in deze eerste wordt het noodzakelijk alle illusie (b.v. de onderdrukking van illusie of verromantiseering in den vorm van valeur, toon, enz.) prijs te geven en de zuivere MATERIE als het meestbepaalde en superieur uitdrukkingsmiddel aan te durven.

________

(1) Met onderstaande uitleggingen, heb ik er naar gestreefd, de beteekenis, welke ik aan verschillende, zich dikwijls herhalende uitdrukkingen toeken, nader te omschrijven. M.i. kan hierdoor veel misverstand voorkomen worden.
GEEST: het denkend beginsel in den mensch, wat dezen van het dier onderscheidt. De superieure qualiteit der substantie, waarvan de ziel de draagster is.
INSTINKT: De eerste impuls, om, uit zuiver animale behoefte van behoudzucht, zich te beschutten en op een natuurlijken tegenstand te reflecteeren.
INTUITIE: Het onmiddelijke inzicht betreffende waarden, waarheden en dingen, zonder dat de gedachte daarin a priori betrokken is.
INTELLECTUEEL: Wat inplaats van uitsluitend door de intuitie, met den geest omvat wordt.
INTELLIGENTIE: De werking zelf van den geest, die alle andere functies van het gevoel vereenigt en beheerscht.


27


[28]

28