Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch/Negentiende brief

Agttiende brief Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch (1800) door Anoniem (toegeschreven aan Stephanus Hanewinkel).

Negentiende brief

Twintigste brief
Uitgegeven in Amsterdam door Saakes, Anthony Bernard.
[ 118 ]

NEGENTIENDE BRIEF.

Dierbaare Vriend!

Ik moet ook niet vergeeten, wijl ik nu tijds genoeg heb, en Gij een groot liefhebber van de Natuurlijke Historie zijt, om U de viervoetige Dieren, de Vogelen en Visschen, die in de Majorij voorkomen, te leeren kennen; ik wil U [ 119 ]nogthands geene Beschrijving van elk der zelven in het bijzonder afschetzen, omdat Gij dezelve bij Linnéus, Buffon, Nozeman, Pasteur en ook ten deele bij Martinet en anderen beschreeven vind.

Onder de viervoetige wilde Dieren (met de Huisdieren zal ik mij niet bezig houden,) treft men hier aan:

Den Wolf, doch deeze is hier thands zeldzaamer dan voorheen; schoon hij een verscheurend Dier is, zal hij zelden of nimmer eenen Mensch, ten minsten weet men hiervan geen voorbeeld in de Majorij, aanranden, of hij zou door zeer grooten honger hiertoe genoodzaakt moeten worden, anders zal hij altijd eenen Mensch ontvlugten.

Vossen. Als iets bijzonders kan ik hier bijvoegen, dat men in het jaar 1798 te Vierlingsbeek, een Dorp in het land van Kuik, bij de grenzen der Majorij gelegen, eenen zwarten Vos heeft geschooten. – Men vind hier ook den Das; doch het is eene Volks-dwaaling, die in dit land heerscht, dat hier tweeërlij soort van die Dieren zouden zijn: de Varkens-das, welke een Snuit als een Varken hebben, en goed tot spijze weezen zou; de Honds-das, welke veel overéénkomst met den Hond heeft, doch niet eetbaar zou zijn.

Verder is hier de Otter, welke beschouwd word als half Vleesch en half Visch, en even daaröm ook van de Roomschen, op hunne zoogenoemde Vastendagen, gegeeten word; doch dit ontspruit uit onkunde, omdat hij enkel van [ 120 ]Visschen leeft; waaröm eeten zij dan ook geene Vogels, die van Visch leeven, op zulke dagen? dan – 'er is niets zoo dwaas, of het word van de Roomsche Kerk als echte munt aangenomen.

Ook zijn hier Bonzems; Marters; Egels; tweeërlij soort van Haazen; Konijnen; Wezeltjens van verschillende verwen, naamlijk: witte, zwarte, vaale en bonte; Land- en Waterrotten; onderscheidene soorten van Muizen, doch eene soort is hier zeldzaam maar des te opmerklijker. Zij is klein, heeft korte voor- en lange achterpooten: loopt of liever springt het meest op de achter-pooten, even als de Alpische Springrot; Mollen, waarönder enkele witten worden gevonden, ook heb ik 'er eenen gezien, welke op den rug zwart, doch niet zoo glanssend als anderen was; de buik was orange-geel en de staart zuiver wit. – Herten en wilde Zwijnen ziet men hier somtijds ook.

Men vind hier, in dit Boschächtig land, eene groote menigte van allerlij Vogelen. De geenen, die hier broeiën, en dus in de Majorij als t'huis hooren, zijn de volgende: de Ooiëvaar; Reiger; Roerdomp, welks geroep, vooräl des avonds, van de bijgeloovige Roomschen met schrik en vrees word aangehoord, omdat zij dit roepen voor het geluid van een Spook houden; de Raaf; Roek: Kraai; Kaauw; Ekster; Maarkolf of Ekelëkster, welke men uitmuntend kan leeren praaten en fluiten, zij is een zeer schoone Vogel, die zelfs in het wild andere Vogels met zijne stem [ 121 ]naarbootst; de Grieto of Strandlooper; de Woudduif; tweeërlij soort van Tortelduiven; de Patrijs; Kwakkel; Merel; Lijster; Goudlijster of Wielewaal, welke eenen verwonderlijk schoonen nest, in eenen mik of tusschen twee takken van eenen boom, maakt; de Spreeuw; Kievit; Koekoek, verkeerdlijk voor eenen Roofvogel gehouden, want men verkeert in de Majorij in dien dwaazen waan, dat hij drie jaaren lang een Koekoek blijft, en dan in eene Smeerle verändert; de schoone Hop; groene en graauwe Spechten; de kleine Specht, die men ook wel Draai of Wendhals noemt; de Kemphaan; Plevier; Tureluur of Veldmerel; Leeuwerk; Goudämmer of geele Haverkneu, men noemt deeze op sommige plaatzen in de Majorij ook wel Schrijver, omdat zijne eitjens met allerlij figuuren als beschreeven zijn; de Rietammer; Nachtegaal; Bastaard-nachtegaal; Vink; tweeërlij Goud- of Bloedwinken; de Rietvink; Distelvink; Groenink of Groenvink; tweeërhande Watersneppen, ook wel Hairsneppen genoemd; de geele en bonte of witte Kwikstaarten; de Huis- Muur- Gier- en Oeverzwaluw; de Huis- en Veld- of Boommusch; het IJsvogeltjen, zijnde het schoonste van alle Vaderlandsche Vogelen. In dit Vogeltjen is opmerklijk, dat het onderste gedeelte van zijnen bek langer is dan het bovenste, dit is, zoo ver mij bekend is, van niemand, die hetzelve beschreeven heeft, opgemerkt; de Roodstaart; het Roodborstjen of Roodkeeltjen; het Wandvogeltjen of Vliegenvanger; de Kool- of Spiegelmees, deeze [ 122 ]word hier de Bijemees, omdat zij veel op Bijën aast, genoemd; de blaauwe Mees; Kuifmees; Kaas- of Staartmees, die een zeer lief en aartig nestjen bouwt; de Grasmusch; Kneuter of Koddenaar, welke graauw van verwe is, en in het Wild eene bloedroode borst heeft, maar in eene Kooi opgeslooten verliest hij, zoodra hij ruit, dezelve; de Wijntapper, welke zich alleen in heiën ophoud; het Sijsjen; Boomkruipertjen en Winterkoningen. Ook vind men hier een klein graauw Vogeltjen, welks eigenlijken naam mij onbekend is, doch gewoonlijk noemt men hetzelve in de Majorij het Praatertjen: hetzelve bootst alle andere kleine Vogeltjens zeer aartig naar, het is zeer vrolijk, en men kan naar hetzelve verscheidene uuren staan luisteren, zonder dat men dezelfde toonen van dit lief beestjen hoort. – Hiervan heeft het zekerlijk zijnen naam van Praatertjen ontvangen. – Men treft hier nog meer andere kleine Vogeltjens aan, welker naamen mij niet bekend zijn, want iedere Streek heeft zijne bijzondere soorten van Vogelen; zelfs vind men Dorpen in de Majorij, waarïn zich aan de eene zijde Vogeltjens ophouden, welke aan de andere niet gevonden worden.

Onder de Water-vogelen telt men hier: de wilde Eend; de Taling; de Waterhoen en de Meeuw.

Ik heb onder de Roofvogels, die hier broelën, gevonden: den Ransuil; kleinen Kerkui en den Oor- of Katuil. Ook houden zich hier de Smeerle of Kremvogel en het Steenvalkjen op. Ik kan [ 123 ]'er nog den Worger of Scharëkster, in de Majorij Klapëkster genoemd, bijvoegen; deeze jaagt, dewijl zij zelf niet groot is, altijd op Musschen en andere kleine Vogeltjens. – De Vledermuis is ook eene Majorijsche Inboorlinge, maar – wilt Gij dezelve liever onder de viervoetige Dieren dan onder de Vogelen rekenen, ik heb 'er niets tegen, want zij hoort onder beiden.

Men telt onder de Trekvogels, die in de Majorij geene Jongen teelen: de Kraan; de wilde Zwaan; wilde Gans; Scholfers; bonte Kraaiën; groote Zwarte Kraaiën met geele bekken; Houtsneppen en Keepen of roode Vinken. Ook ziet men hier wel eens Arenden; Kuikendieven; Valken; Sperwers en Havikken. – Gij kunt uit dit alles duidlijk zien, mijn Vriend! dat de Majorij zeer veele en zeer schoone Vogelen oplevert; geen wonder derhalven, dat aldaar Bosschen en Velden altijd weêrgalmen door derzelver vrolijk gezang, ja dat het verruklijk is, om in dezelve eene wandeling, vooräl in de Lente bij schoone heldere morgens, of ook bij warme zomerdagen te onderneemen.

De Majorij levert ook verscheidene soorten van lekkere Visschen op. – Ik heb 'er de volgende gevonden: den Aal en Paling; den Kwabäal; den Snoek, welke 'er somtijds zeer groot valt; den schoonen Baars; den Voorn; den Ruisvoorn; den Braassem; den Blij; den Wind; verschillende soort van Karpers; den Zeelt; de Goofens; de Alfers; het lekkere Postjen en de Grundel. Men vind hier nog het Stekelbaarsjen [ 124 ]en den Meeräal, deeze worden niet gegeeten, naar men gebruikt den laatsten wel als eenen Barometer, wijl men hem in eene flesch met water zeer lang in het leven kan houden, en hij, door zijne beweegingen in dezelve de verändering van het weder aanduid. Hij is ook één dier zeldzaame Visschen, welke geluid geeven, want als hij uit het water is, of men hem hard aanvat, dan piept hij; het is tevens aanmerklijk, dat, waar hij zich ophoud, 'er niet veele andere Visschen gevonden worden, alhoewel hij niet van Visschen maar enkel van Insecten leeft.

Behalven deeze opgenoemde Visschen heb ik hier, op enkele plaatzen, een zeer lief en aartig Vischjen aangetroffen, doch de naam is mij onbekend en niemand wist mij denzelven te noemen. Dit Vischjen is naauwlijks twee duimen lang, en ook naauwlijks een vierde van eenen duim breed, de zijden zijn plat en het is omtrent twee lijnen dik; op den rug is het bruin van verw en blinkend, naar den buik, welke wit is, word deeze koleur ligter, en het bruin en wit scheid zich met halfronde vlakjens, bijna zaagswijze, van elkanderen; het heeft glinsterende en mooië oogjens, welke niet op zijde, gelijk in andere Visschen, van het kopjen maar boven in hetzelve niet ver van malkanderen staan. Het heeft een eenigzints geboogen kopjen even als een' Ramskop, en zwemt met den mond eenigermaate naar beneden; de rugvin staat midden op den rug, en dus niet het digtst bij den staart, gelijk men dit gewoonlijk in andere Visschen ziet; de staart, [ 125 ]die rond is als de rand van eene halve maan aan de buitenzijde, is even als de vinnen zeer fraai gespikkeld. Met het bloote oog kon ik geene schobben aan dit zeldzaam Vischjen ontdekken. – In de Aa en Dommel vind men, op rotsächtige plaatzen, de lekkere Rivierkreeftjens, welke in alles, uitgezonderd dat zij kleiner zijn, met de Zeekreeften overéénkomen.

Men vind verder in de Majorij onder het gedierte drieërlij Kikvorschen: den Land- Water- en Boomvorsch, welke laatste zich altijd in Boomen ophoud; Padden: Land- en Waterhagedissen en Watersalamanders. Men ontmoet 'er ook wel eens, doch vooral in de Peel, Slangen en Adders, maar derzelver getal is niet groot, ook zijn zij niet vergiftig, ten minsten is er geen voorbeeld van bekend, dat zij ooit iemand beschadigd hebben.

Gij ziet hier dan, mijn geächte Vriend! dat de Majorij veele soorten van Dieren oplevert, waarvan de Beschrijving wel een groot Boekdeel zou vullen, en derhalven ziet Gij ook hier bewaarheid, het geen ik U meer dan ééns gezegd heb, dat een kundig Natuurkenner hier zeer veel, ter vermeerdering der Natuurlijke Historie van ons Vaderland, zou kunnen aantreffen. – Laat dit nu genoeg weezen, om eenigzints uwe nieuwsgierigheid te voldoen, want Gij ziet immers, dat ik mijnen tijd in de Majorij niet nutloos of ledig doorgebeuzeld, maar alles aangewend heb, Om U dat Land, zoo veel in mijn vermogen was, en mij de tijd vergund heeft, te doen kennen.

[ 126 ]De volgende brief zal U iets zeggen van de voordbrengselen deezer Landstreek. – Vaarwel! en denk nu en dan eens aan hem, die zich kan en mag beroemen, dat hij onveränderlijk zal zijn uw bestendige

Vriend.

Naschrift. Men ziet in de Majorij ook veele Land- en Waterinsecten. Ik wil ze U niet allen opsommen, maar onder de eersten thands alleen den Glimworm tellen, omdat Martinet[1] denkt, dat die nergens in ons Vaderland, als in Gelderland gevonden word, Hij immers zegt: "Laat ik den Glimworm nοemen, die hier in Gelderland voorkomt, doch elders vruchtenloos zal gezocht worden." – Deeze Geleerde heeft onrecht, want ik heb deezen Worm in menigte in de Majorij gevonden. – Onder de laatsten noem ik als een bijzonder en zeldzaam Diertjen, dat Gij kennen moet, den Hair- of Snaarworm. Hij is naauwlijks zoo dik als een Paarden-hair, en echter meer dan anderhalven voet lang; hij is bruin van verw, doch in de Zon geeft hij eenen schoonen weêrschijn, bestaande uit allerhande koleuren. Met het ongewapend oog kan men geen onderscheid tusschen den Kop en Staart ontdekken, want als hij stil in het water ligt, zou men hem voor een [ 127 ]hairtjen aanzien. In zijne beweeging is hij zeer snel, en het is verwonderlijk, om de schoone knoopen en strikken, waarïn hij zich draait, te begluuren; geene menschenhand zou dit zóó juist, zóó kunstig, zóó door elkaêr gevlochten kunnen verrigten. – De Kokerworm is ook een zeer aartig Diertjen, dewijl het zijn Huisjen, waarmede het zich kan laaten drijven of zinken, samenstelt uit stukjens van Biezen of andere Waterplantjens, die het op malkanderen lijmt. Ik heb 'er eenen gezien, wiens Kokertjen of Huisjen zóó net was samengesteld, als of het door den kundigsten Wiskunstenaar was gemaakt; alle stukjens waren kleine Stroohalmtjens, alle even lang, alle even dik, alle even ver van elkanderen. – Eindelijk, om U alle Insecten niet optetellen, vind in en hier, vooräl in stilstaande Moerassige Wateren, tweeërlij Bloedzuigers, zwarte en bruin gestreepte; de laatsten houd men, als zij niet gespeend zijn, voor zeer vergiftig, als zij ten minsten iemand bijten, zwelt het ontzaglijk dik op. Zij zijn zeer taai van leven; men kanze, gelijk bekend is, midden doorsnijden, en de beide stukken blijven niet alleen levendig, maar elk groeit weder op nieuw aan, en word weder een nieuwe Bloedzuiger. Zij krijgen levendige jongen, deeze hechten zich aan den buik der Moeder vast, en zuigen dus aan dezelve; dit is weinig bekend. Dit Diertjen, het geen men als een Barometer kan gebruiken, en welks nut in de Geneeskunde overbekend is, was dus eene naauwkeuriger beschouwing dubbel waardig.

[ 128 ]Zie zoo! – Dit mag wel een Post scriptum heeten, want hij is ten minsten lang genoeg; ik zal 'er dan niets meer bijvoegen, anders zou het Naschrift wel grooter dan de Brief zelf worden, en dit mag immers niet weezen? – Neen! – dit kan niet. – Dus niets meer dan – Vaarwel! – !!

  1. Katechismus der Natuur. III Deel. Bladz: 113. van den Tweeden Druk.