Album der Natuur/1857/Bijen

De bijen verstaan elkander (1857) door Alexander Willem Michiel van Hasselt
'De bijen verstaan elkander,' werd gepubliceerd in Album der Natuur (zesde jaargang (1857)), pp. 380-381. Dit werk is in het publieke domein.
[ 380 ]
 

DE BIJEN VERSTAAN ELKANDER.

 

 

In de Illustrirte Landwirthschaftliche Dorfzeitung van Dr. william löbe 1857 vindt men een lezenswaardig stukje over de taal en de staatsinrigting der bijen, waaraan wij (p. 86) het volgende ontleenen.

De heer de frarières was des avonds op zijn studeerkamer bezig met het lezen van een belangrijk werk. Een houten bijenkorf van eene nieuwe vinding, maar waarin nog nooit bijen geweest waren, stond toevallig op de buiten-vensterbank zijner kamer. De laatste stralen der zon vielen op den korf en drongen door het vlieggat tot in het inwendige van den korf door. Aan de van het vlieggat tegenovergestelde zijde was de wand des korfs van glas, zoodat men gemakkelijk kon zien, wat in het binnenste van den korf voorviel.

Daar de korf nooit gebruikt was, was er niets in wat de bijen konde aanlokken: noch hars, noch reuk van honig, noch iets dergelijks, en toch zag hij eene enkele bij, gonzende, den korf aan alle zijden bezien, daar omheen vliegen en eindelijk, na alles aan de buitenzijde in oogenschouw genomen te hebben, zich nederzetten op een klein plankje, dat voor het vlieggat geplaatst was. Na een oogenblik daar gerust te hebben, want men zag aan de snelle beweging der ringen van haar onderlijf, dat zij vermoeid was, ging zij, eerst voorzigtig, en als met schroom door het vlieggat naar binnen. Door de in het vlieggat vallende zonnestraal kon de heer de frarières al hare bewegingen gadeslaan. Zij onderzocht den korf van binnen aan alle zijden en vloog eindelijk door het vlieggat weder uit, doch keerde nog eenige malen weder terug, als ware het om zich die plaats goed in het geheugen te prenten.

[ 381 ]Den volgenden dag, ongeveer ten half 10 ure, toen de zon helder scheen, maar hare stralen onmiddellijk op den korf wierp, zag de waarnemer een 50-tal bijen, die onder sterk gonzen om den korf vlogen. Thans hielden zij zich niet lang aan den ingang op, maar toonden zich veel stoutmoediger dan de eerste bij van den vorigen avond, hetzij dat zij op het berigt dezer bij gerust waren, hetzij dat hun groot aantal hun moed inboezemde. Zij onderzochten naauwkeurig al de deelen van den korf en vlogen daarna, elk afzonderlijk en zonder elkander af te wachten, weder weg. Een oogenblik later en alles was weder stil.

Frarières' nieuwsgierigheid was nu ten hoogste gespannen. Hij had wel in oude geschriften over de bijen gelezen, dat deze insekten, vóór zij den moederkorf verlaten, de omstreek hunner woning overal onderzoeken, maar had het nooit zelf gezien; en daar hem deze zaak van aanbelang voorkwam, als in verband staande met hooger geestvermogens dan velen wel, gemakshalve, aan de insekten toekennen, besloot hij zoo lang bij den korf te blijven wachten, tot hij iets naders hieromtrent vernam.

Zijn geduld, werd op geene al te harde proef gesteld. Twee uren na het vertrek der laatste bijen, zette zich een fraaije bijenzwerm in dezen nieuwen korf neder en bevestigde alzoo het voorgevoelen des waarnemers.

Kan men, na dit alles, nog betwijfelen dat de bijen in dit geval bijna zoo handelen of zij met verstand begaafd waren, en dat zij noodzakelijk eene taal, welke dan ook, moeten hebben, om elkander den uitslag hunner nasporingen mede te deelen. Het bleek naderhand dat de zwerm van eenen grooten afstand afkwam, daar de eigenaar den zwerm gevolgd was en hem eindelijk in den nieuwen korf van frarières zich had zien nederzetten.

 
v. H.